WETENSWAARDIGHEDEN OVER DE MARRONS
Op deze pagina vind je een reeks van wetenswaardigheden met betrekking tot de cultuur en geschiedenis van de Marrons van Suriname en Frans-Guyana.
Als je een item zoekt doe je dat via het loepje (zoekfunctie). Als je daarop klikt schuift er een balkje uit waar je het zoekwoord kunt invullen. Als het item op deze website is gepubliceerd, dan komt het tevoorschijn.
SCHRIJVEN IN HET NDYUKA-TONGO, EEN CREOOLTAAL IN ZUID-AMERIKA
Door: Andre R. M. Pakosie
AUTEURSRECHTEN: Dit artikel werd eerder door mij gepubliceerd in het Maron-tijdschrift SIBOGA, jaargang 13, nr. 1, 2003.
Op al mijn artikelen rust auteursrecht. Geen enkel door mij geschreven artikel mag, geheel of gedeeltelijk, in welke vorm dan ook worden gereproduceerd of gepubliceerd zonder correcte bronvermelding.
Dit artikel is een van de twee bijdragen die ik heb gepresenteerd tijdens de conferentie Écrire les Langues de Guyane, gehouden in Cayenne, Frans‑Guyana, van 9 tot 11 mei 2003, en gepubliceerd in het tijdschrift voor Maroncultuur en geschiedenis SIBOGA, jaargang 13, nr. 1, 2003. De conferentie werd georganiseerd door het Laboratoire des Sciences Sociales IRD Guyane en richtte zich op de talen die in Frans‑Guyana worden gesproken. Mijn bijdrage behandelt de volgende onderwerpen: de geschiedenis van de Marontalen, het schrijven in het Ndyuka, ideofonen, veranderingen en moeilijkheden wanneer men geen kennis heeft van de Ndyuka‑taal. Ndyuka‑tongo is de taal die wordt gesproken door de Ndyuka of Okanisi, een Marongroep in Suriname.

Deelnemers aan de conferentie in Cayenne (Foto: André R.M. Pakosie)
Een taal is een van de middelen om mensen met elkaar te verbinden. Een persoon zal zich in een land pas werkelijk thuis voelen wanneer hij de taal kan spreken en begrijpen die daar wordt gebruikt. Hij zal zich dan geen buitenstaander voelen. Wanneer een kind wordt geboren, is de eerste taal waarmee het wordt geconfronteerd de taal die wordt gesproken door de vroedvrouw en haar assistenten. Maar de taal waarin het kind zal leren spreken en denken, is de taal van de moeder, of van degene die het kind opvoedt. Deze taal wordt de moedertaal van het kind.
1. HYPOTHESEN
Er bestaan verschillende hypothesen dat de Afro‑Surinaamse talen, zoals de Maron‑moedertalen Ndyuka (Okanisi), Saamaka, Pamaka, Matawai, Kwiïnti en Aluku, evenals het Sranan‑tongo (de lingua franca, voornamelijk gesproken door Creolen), in Suriname zelf zouden zijn ontstaan. De geschiedenis toont echter aan dat deze talen hun oorsprong vinden in de depots in Afrika, waar Europese slavenhandelaren duizenden Afrikaanse mensen bijeenbrachten voor hun deportatie naar de slavernij. De Afro‑Surinaamse talen behoren tot de taalfamilie die taalkundigen classificeren als Creooltalen. In oorsprong zijn het kunstmatige (Pidgin) talen, met andere woorden talen die ontstaan door handelscontacten. Het zijn talen die ontstaan en zich ontwikkelen wanneer groepen mensen elkaar ontmoeten zonder elkaars taal te begrijpen (Pakosie, 2000‑2:2‑12; Pakosie, 2002:121‑131).
Een voorbeeld van een pidgin was het zogenoemde Businengee patuwa, afgeleid van het patois (guianais), een Frans‑Creoolse taal. Het Businengee patuwa werd ontwikkeld door de Franse Creolen en de verschillende Marongroepen om met elkaar te kunnen communiceren tijdens de Bagasiten (de periode van vrachttransport naar het binnenland van Frans‑Guyana en Suriname). Tegenwoordig zijn er nog maar weinig mensen die het Businengee patuwa spreken of begrijpen. De hedendaagse Marrons die in een Franstalig gebied wonen, geven er de voorkeur aan om rechtstreeks Frans te leren.
2. INSTRUMENTALE EN VOCALE TALEN
Dit artikel richtte zich voornamelijk op een van de Maron‑moedertalen, de Ndyuka‑tongo of Okanisi-tongo. Voor de duidelijkheid moeten we, wanneer we over Ndyuka‑tongo spreken, deze taal opdelen in twee hoofdgroepen: vocale talen en instrumentale talen.
Tot de vocale talen van de Ndyuka behoren: de hedendaagse Ndyuka‑tongo, Loangu, Anpuku, Papa, Kumanti, Amanfu en Akoopina.
Tot de instrumentale talen behoren: Wanwi‑apinti, Kumanti‑apinti, Kwadyo, Agbado, Benta, (Botoo) Tutu en Abaankuman. Abaankuman is een klank‑ of tooncode‑taal die verbonden is aan specifieke gebeurtenissen.
In een traditionele Marronsamenleving betekent bijvoorbeeld het geluid van een geweerschot dat er wild is gevangen en dat er dus vlees beschikbaar is. Het geluid van de Apinti geeft aan dat er een openbare gebeurtenis plaatsvindt. Het geluid van een klok, een hol metalen voorwerp met een klepel dat geluid voortbrengt, geeft aan dat er een openbare eredienst gaande is (Pakosie, 2000, 2:2, 12; Pakosie, 2002, 121-131).
3. DE OORSPRONG VAN DE MARONTALEN
De hedendaagse Ndyuka‑taal verschilt aanzienlijk van de taal zoals die werd gesproken in de vroegste fase van de Ndyuka‑gemeenschap. Historische bronnen geven aan dat de slavernij van zwarte mensen in Suriname in 1650 aanving, inmiddels 375 jaar geleden. In dat jaar begonnen West‑Europeanen, waaronder Engelsen, Nederlanders, Spanjaarden en Portugezen, duizenden zwarte mensen als handelswaar te verhandelen in het kader van de trans-Atlantische slavenhandel. Deze personen werden in diverse regio’s van Afrika gevangengenomen en vervolgens gedeporteerd naar Suriname en andere gebieden in Zuid- en Noord-Amerika.
Als we het over Afrika hebben, hebben we het over een continent met verschillende landen en volkeren. Elk volk en elke etnische groep heeft zijn eigen cultuur en taal. De ene groep begrijpt de taal van de andere groep niet. De Europeanen hielden mensen van al deze verschillende etnische groepen gevangen in depots. Een van deze depots was het Saint George d’Elmina-kasteel aan de kust van het huidige Ghana. De voorouders van het Afro-Surinaamse volk werden weken, maanden, soms zelfs jarenlang gevangen gehouden in deze depots, voordat ze werden vervoerd naar hun eindbestemming, de slavenplantages van Suriname en andere plaatsen in Zuid-, Midden- en Noord-Amerika (Pakosie, 2000-2:3 en Pakosie, 2002:125). We kunnen gerust stellen dat de slavernij van de Afrikaanse mensen die naar Zuid-, Midden- en Noord-Amerika werden vervoerd, begon op het moment dat ze gevangen werden gehouden in de depots. Vanaf dat moment waren ze niet langer vrij om te doen wat ze wilden. De West-Europese slavenhandelaren controleerden hun hele wezen.
Juist onder dergelijke omstandigheden werd de behoefte om met elkaar te communiceren dringend. Deze situatie dwong de gevangen Afrikanen ertoe een nieuw communicatiemiddel te creëren. Zo ontstond een nieuwe taal die de Babylonische spraakverwarring moest overwinnen die was ontstaan door de gedwongen samenbrenging van de voorouders van de Afro‑Surinamers. Deze nieuwe taal was opgebouwd uit woorden uit de talen van de gevangen Afrikanen uit verschillende etnische groepen. Dit betekent dat zij haar oorsprong heeft in Afrikaanse talen. Voor het gemak geef ik deze nieuwe taal de naam AFRO‑AFRIKAANS (Pakosie, 2000‑2:2‑12; Pakosie, 2002:121‑131).
Naast het Afro-Afrikaans, ontstond er een tweede nieuwe taal door taalcontact tussen de gevangengenomen Afrikaanse mensen en de West-Europese slavenhandelaren. Deze taal bestond uit woorden uit Europese talen, woorden uit de moedertalen van de verschillende gevangengenomen Afrikaanse mensen en woorden uit het AFRO-AFRIKAANS. Ik noem deze tweede taal AFRO-EUROPEES of EURO-AFRIKAANS.
Deze twee talen, het AFRO‑EUROPEES (Euro‑Afrikaans) en het AFRO‑AFRIKAANS, vormen de oorsprong van de hedendaagse Afro‑Surinaamse en Afro‑Frans‑Guyaanse talen, zoals Sranan‑tongo, Ndyuka‑tongo, Saamaka‑tongo, Aluku‑tongo, Pamaka‑tongo, Matawai‑tongo en Kwiïnti‑tongo (Pakosie, 2000‑2:2‑12; Pakosie, 2002:121‑131).
De overtocht van tot slaaf gemaakte Afrikaanse mensen vanuit een depot in Afrika naar hun bestemming – soms rechtstreeks naar de betreffende plantages, soms eerst naar het centrale depot op Curaçao, een eiland in de Atlantische Oceaan – duurde eveneens enkele weken tot maanden. De verdere overbrenging van de tot slaaf gemaakten van Curaçao naar de plantages van hun nieuwe slavendrijvers nam opnieuw weken of zelfs maanden in beslag. Het moge duidelijk zijn dat tijdens deze overtochten én op de plantages zelf opnieuw nieuwe talen ontstonden om onderling te kunnen communiceren. Het betrof talen die waren opgebouwd uit woorden uit Europese talen, woorden uit de moedertalen van de verschillende Afrikaanse etnische groepen, woorden uit het AFRO‑AFRIKAANS en woorden uit het AFRO EUROPEES (Euro Afrikaans).
Wanneer de tot slaaf gemaakten definitief op de plantages waren geplaatst, konden opnieuw nieuwe talen ontstaan indien er opnieuw sprake was van een Babylonische spraakverwarring onder de meerderheid van de tot slaaf gemaakte Afrikaanse mensen op dezelfde plantage.
4. TAALONTWIKKELING ONDER DE MARRONS VAN SURINAME
Na de vorming van Marongemeenschappen in de tropische regenwouden van Suriname en Frans‑Guyana zette het proces van taalontwikkeling zich voort. Dit kwam doordat deze nieuwe samenlevingen niet alleen bestonden uit mensen van verschillende Afrikaanse etniciteiten, maar ook uit mensen afkomstig van uiteenlopende Surinaamse plantages, met verschillende plantage‑ervaringen. De nieuw ontstane talen werden gevormd uit woorden uit de talen die men reeds kende, aangevuld met woorden uit de talen of dialecten die werden gesproken door de eigenaren van de plantages waaruit de verschillende groepen afkomstig waren (Pakosie, 2000‑2:3‑4; Pakosie, 2002:125‑126).
Dit betekent dat woorden uit de oude talen die niet langer bruikbaar waren, verdwenen en werden vervangen door nieuwe woorden. Dit toont aan dat de voorouders, nadat zij gedwongen waren hun oorspronkelijke moedertalen op te geven, vele nieuwe talen ontwikkelden voordat de huidige Marontalen ontstonden, zoals het Ndyuka, Saamaka, Pamaka, Matawai, Aluku en Kwiïnti.
Onder de talen die de Marrons onderscheiden en die zich bevinden tussen hun oorspronkelijke Afrikaanse moedertalen en hun huidige talen, bevinden zich Loangu, Kumanti, Papa, Ampuku, Amanfu, Anklibenda en Akoopina. Tegenwoordig worden deze talen uitsluitend gebruikt in religieuze ceremonies.
Zoals reeds vermeld, bevatten alle hedendaagse Marontalen een aanzienlijk aantal woorden uit diverse Europese talen, waaronder Engels, Portugees, Frans en Nederlands. Vooral het Engels en het Portugees hebben een sterke invloed uitgeoefend op de huidige Marontalen. Daarom kunnen de zes hedendaagse Marontalen worden onderverdeeld in twee hoofdgroepen:
- SURINAAMS AFRO‑ENGELS: Ndyuka, Pamaka, Aluku, Kwiïnti
- SURINAAMS AFRO‑PORTUGEES: Saamaka en Matawai
Het moge duidelijk zijn dat, aangezien de Aluku‑Marrons Franse staatsburgers zijn, hun moedertaal sterk is beïnvloed door het Frans. Iets vergelijkbaars is gebeurd met vele Nederlandse woorden die men aantreft in de andere Marontalen, vooral in het taalgebruik van de jongeren binnen deze groepen.
5. SCHRIJVEN IN DE NDYUKA‑TONGO
Ondanks dat aan het begin van de twintigste eeuw de Ndyuka‑Marron da Atumisi Afáka een schrift ontwikkelde om de Ndyuka‑taal te kunnen schrijven, beschikten de Marrons tot in de laatste drie decennia in wezen niet over een schrijfcultuur en derhalve evenmin over een geschreven traditie.
In het verleden was zelfs het Surinaams, SRANAN TONGO, geen taal die regulier werd gebruikt voor schriftelijke communicatie, met uitzondering van kerkelijke vertalingen. Tot het midden van de jaren tachtig van de twintigste eeuw bestond er bovendien geen officiële spelling voor het Sranan tongo, waardoor iedereen de taal naar eigen inzicht schreef. Minister ALAN LI FO SJOE van Onderwijs, Wetenschappen en Cultuur (1984-1988) bracht hierin verandering door een commissie van taalkundigen in te stellen die een officiële spelling vastlegde. Niettemin schrijven veel mensen het Sranan tongo nog steeds op hun eigen manier. En omdat er evenmin een officiële spelling bestaat voor de NDYUKA‑taal, worden we met hetzelfde probleem geconfronteerd. Om dit te verhelpen, moet men eerst leren hoe de NDYUKA TONGO correct wordt geschreven. Kennis van het NDYUKA‑ALFABET is daarbij essentieel.
6. HET NDYUKA‑ALFABET
Klinkers: A, E, I, O, U
Daarnaast worden ook de volgende klinkertekens gebruikt: Á, À, É, È, Í, Ì, Ó, Ò, Ú, Ù, Ü.
Medeklinkers: B, D, F, G, H, K, L, M, N, P, S, T, U, (V), W, Y, Z.
Een klinker is een letter of symbool dat een klinkerklank weergeeft. Medeklinkers zijn letters of symbolen die in combinatie met klinkers woorden vormen.
Gebruik van klinkers in het Ndyuka‑tongo
- a zoals in ana of alisi
- e zoals in eke of ete
- i zoals in ini of ipi
- o zoals in opu of osu
- u zoals in buku of bun
Daarnaast worden de volgende klinkers gebruikt:
- á zoals in ná of Abáan
- é zoals in feefeé of geénge
- í zoals in kiní of guligulí
- ó zoals in kódo of bokó
- ú zoals in fúndu
Dubbele klinkers in het Ndyuka‑tongo
- aa zoals in taa of faan
- ee zoals in bee
- ii zoals in fii
- oo zoals in boofo of botoo
- uu zoals in buguu of buuse
Gecombineerde medeklinkers
Soms moeten medeklinkers worden gecombineerd om een specifieke klank weer te geven:
- dy zoals in dyalusu of dyebiï
- ny zoals in nyan of nyoni
- ty zoals in tyapoba of tyatyali
- mm zoals in mma
Met uitzondering van woorden die uit andere talen zijn ontleend, bestaan er in het Ndyuka‑tongo geen woorden die geschreven kunnen worden met de letters C, J, Q en X. Voor de letter V wordt nog onderzocht hoeveel Ndyuka‑woorden daadwerkelijk met deze letter kunnen worden geschreven, om te bepalen of opname in het alfabet gerechtvaardigd is.
Schrijven in het Ndyuka‑tongo en spreken in het Ndyuka‑tongo zijn twee verschillende zaken. De correcte manier om Ndyuka‑tongo te schrijven is: woorden volledig uitschrijven zoals zij worden uitgesproken. Bijvoorbeeld: wie zegt y’ á mu taigi en taki m’ be kon ya, moet dit schrijven als: Yu á mu taigi en taki mi be kon ya.
Voor een leesbare en begrijpelijke tekst moeten ook de juiste diakritische tekens worden geplaatst, zoals een accent aigu op de correcte klinker of medeklinker. Bijvoorbeeld:
- na en en ná en hebben twee verschillende betekenissen.
- Na en is bevestigend: “dat is het.”
- Ná en is ontkennend: “dat is het niet.”
- Mma betekent “mevrouw”, de aanspreektitel voor volwassen vrouwen.
- Ḿma betekent “jouw moeder”.
Hetzelfde geldt voor sama en sáma?
- Sama betekent “mensen” in algemene zin, bijvoorbeeld: den sama fu Soolan (de mensen van Saint‑Laurent).
- Sáma? is een vraag: “wie is die persoon?”
In het Ndyuka‑tongo eindigen woorden doorgaans op A, E, I, O of U. Met andere woorden: de laatste letter van een Ndyuka‑woord is meestal een klinker.
Er bestaat ook een hypothese dat het Ndyuka‑tongo de letters H en Z niet zou hebben. Maar woorden zoals hou, hinsii, ho, he, azeman, ze, zekanti tonen duidelijk aan dat beide letters wel degelijk deel uitmaken van het Ndyuka‑alfabet. Zoals vermeld wordt nog onderzocht hoeveel woorden met de letter V voorkomen om te bepalen of opname gerechtvaardigd is.
In tegenstelling tot de Afrikaanse en West‑Europese talen waaruit het is voortgekomen, kent het Ndyuka‑tongo geen letter R. Waar de R uit het oorspronkelijke woord is verdwenen, wordt deze vervangen door een compenserende verlenging van de bijbehorende klinker. Bijvoorbeeld: boofo in plaats van het Akan‑woord brofo, waarvan het is afgeleid.
Niet alleen de R verandert in een klinker (a, e, o, i of u); ook een intervocalische D verandert in het Ndyuka in een L. Bijvoorbeeld: het Sranan‑tongo woord brede (afgeleid van het Engelse bread) wordt in het Ndyuka‑tongo beële.
7. IDEOFONEN
Een gemeenschappelijk kenmerk van de Marontalen – en, voor zover mij bekend, ook van vele zwart‑Afrikaanse talen op het Afrikaanse continent – is dat zij een groot aantal ideofonen kennen. Dit zijn woorden die worden gebruikt om betekenissen, geluiden, kleuren, bewegingen, emoties en andere fysieke of zintuiglijke kenmerken te onderscheiden.
Voorbeelden:
- A kaba kellé of A kaba kelékelé: beschrijft dat iemand volledig gereed is.
- A kaba gbólon: beschrijft dat iets volledig voorbij is of beëindigd.
Andere ideofonen zijn onder meer:
- bodoo (graad van zachtheid, slapheid)
- píí (stilte, kalmte, graad van zwartheid of duisternis)
- biogóo (graad van zwartheid of duisternis)
- tóin (graad van kleinheid)
- títitíí (graad van kleinheid)
- yuwiï (graad van koudheid)
- faan (graad van witheid)
- nyáán (graad van roodheid of glans)
- dududuu (graad van gezwollenheid)
- buwabuwa (graad van zware stappen)
8. HET HEDENDAAGSE NDYUKA
Een taal is niet statisch; zij verandert mee met de gemeenschap die haar gebruikt. De snelheid waarmee een taal verandert, hangt samen met de snelheid van sociale veranderingen binnen die gemeenschap.
Wanneer we naar de Marontalen kijken, zien we dat zij vanaf hun ontstaan tot heden voortdurend aan verandering onderhevig zijn geweest. Soms gaat die verandering snel, soms langzaam. Zo heeft het Ndyuka‑tongo in de afgelopen dertig jaar – en vooral in de laatste vijftien jaar – een aanzienlijke ontwikkeling doorgemaakt.
Taalverandering betreft niet alleen de opname van nieuwe woorden uit andere talen ter vervanging van oudere woorden, maar ook het verdwijnen van bepaalde gebruiken en regels voor beleefd gedrag die in de taal verankerd waren.
Een voorbeeld hiervan is de manier van groeten in de Marongemeenschappen, die in de afgelopen veertig jaar sterk is veranderd. Tot ongeveer veertig jaar geleden bestonden er twee hoofdvormen van begroeten: een informele en een formele vorm. De formele, respectvolle vorm werd gebruikt voor het begroeten van personen die men eer verschuldigd was, zoals schoonouders, schoonkinderen, ouderen en vreemden.
Om een respectabel persoon te begroeten, moest men eerst de juiste houding aannemen: de ene hand in de andere leggen, vervolgens groeten, en daarna wachten tot de begroeting volledig was beantwoord voordat men toestemming vroeg om zijn weg te vervolgen.
Onderstaand voorbeeld toont een traditionele ochtendgroet tussen een man (hier een pai, schoonzoon) en zijn mai, schoonmoeder:
Pai: A kiïn un baka oo mma — Mevrouw, een nieuwe dag is aangebroken.
Mai: A kiïn un baka ye baa — Inderdaad, een nieuwe dag is aangebroken.
Pai: U doo en — Bent u goed opgestaan?
Mai: U doo en baa, u seefi doo en? — Wij zijn goed opgestaan, en jij?
Pai: U doo en so mooi ye — Ja, wij zijn ook goed opgestaan.
Mai: Ai baa, den taa sama doo en mooi tu? — Dat is goed, zijn de anderen ook goed opgestaan?
Pai: Den doo en wanes‑wanse baa — Zij zijn allemaal goed opgestaan.
Mai: Ai baa — Dat is goed.
Pai: A dda doo en mooi tu? — En mijn schoonvader, is hij ook goed opgestaan?
Mai: A doo en so mooi ye, ma a komoto ya — Hij is goed opgestaan, maar is daarna ergens heen gegaan.
Pai: Ai baa. We mma da u o gi piimisi baka — Goed mevrouw, ik vraag toestemming om te vertrekken.
Mai: Ai baa, da u poti daa fosi — Dat is goed, bedankt.
Pai: A ná a daa baa mma — Graag gedaan.
Tegenwoordig hoort men plotseling een stem die zegt: Fa! (“Hoe gaat het?”), en voordat men zich omdraait om te zien wie groet, is de persoon alweer verdwenen. De respectvolle vorm van begroeten is verloren gegaan.
Zoals eerder vermeld, hebben taalveranderingen ook betrekking op nieuwe woorden die uit andere talen worden overgenomen. De huidige generatie Marrons, verspreid over de hele wereld, gebruikt in hun Marontalen veel woorden die voorheen onbekend waren. Traditionele benamingen worden steeds minder gebruikt. Waar iemand uit de oudere generatie bijvoorbeeld zou zeggen: mi boliman (“degene die voor mijn eten zorgt”, oftewel mijn vrouw) – omdat het volgens de traditie onbeleefd is om in aanwezigheid van ouderen over “mijn vrouw” te spreken – zegt iemand uit de jongere generatie eenvoudigweg: mi uman, “mijn vrouw”.
Sommige uitdrukkingen hebben door maatschappelijke veranderingen hun oorspronkelijke betekenis verloren. Vroeger kon een vrouw zeggen: “die persoon is mijn kiiman (killingman) of mijn goniman (geweerman, degene die het geweer draagt)”, en iedereen begreep dat zij haar echtgenoot bedoelde: de man die het geweer droeg om wild te schieten dat zij vervolgens zou bereiden. In die tijd droeg een man alleen een geweer wanneer hij ging jagen. Een vuurwapen werd niet gebruikt om een mens te doden. Tegenwoordig is dat anders: als een vrouw haar man kiiman noemt, kan dit letterlijk worden opgevat, omdat een geweer niet langer uitsluitend een jachtwapen is, maar ook een moordwapen kan zijn.
9. TWEE OPMERKINGEN TER AFSLUITING
9.1. Over de complexiteit van het Ndyuka en andere Marontalen
Zoals in Aluku en Pamaka bestaat er ook in het Ndyuka een variant die Nengee wordt genoemd. De term Nengee in taalkundige zin is niet hetzelfde als Nengee‑tongo.
- Nengee‑tongo verwijst naar de Marontalen (en het Sranan‑tongo) in het algemeen.
- Nengee daarentegen is een specifieke variant binnen Ndyuka, Aluku en Pamaka (en voor zover bekend ook in Saamaka), die soms zeer moeilijk te begrijpen is wanneer men de taal niet beheerst.
Een spreker kan in Nengee bijvoorbeeld zeggen: yu a si a de a pe, nyan ala! (“Daar is het, eet alles op!”). In Nengee betekent dit echter niet dat men werkelijk alles mag opeten. Het is juist een waarschuwing om niet alles op te eten, of zelfs om het voedsel helemaal niet aan te raken.
Wanneer iemand werkelijk bedoelt dat je alles mag eten, zou hij zeggen: a sani di de ape yu sa nyan ala o (“Zie je dat ding daar, je mag het allemaal opeten.”)
9.2. Over de indeling van de Marontalen
Zoals eerder vermeld, kunnen de Marontalen worden onderverdeeld in twee hoofdgroepen:
- SURINAAMS AFRO‑ENGELS: Ndyuka, Pamaka, Aluku, Kwiïnti
- SURINAAMS AFRO‑PORTUGEES: Saamaka, Matawai
Dat sommige talen – zoals Ndyuka, Pamaka, Aluku en Kwiïnti – in dezelfde groep vallen, betekent niet dat deze vier talen identiek zijn. Zij kunnen woorden delen met dezelfde betekenis, maar ook woorden die hetzelfde klinken maar een andere betekenis hebben.
Voorbeelden:
- Het Aluku‑woord kali (“roepen”) betekent in het Ndyuka van de Okanisi in het Opu-gebied: “een boot voortduwen”.
- In zowel Aluku als Pamaka betekent weli: “zich aankleden”.
- In het Ndyuka van het Opu-gebied betekent weli echter: “moe” of “vermoeid”.
- Het Ndyuka‑woord van de mensen in het Opu-gebied voor “zich aankleden” is wei, dat tevens de betekenis heeft van “aan prostitutie doen”.
- In Pamaka en Aluku betekent wei uitsluitend “aan prostitutie doen”.
10. BIBLIOGRAFIE
Pakosie, André R.M., Een etymologische zoektocht naar Afrikaanse woorden in de 2000 Ndyuka taal. In: Siboga jrg. 10 nr. 2.
Pakosie, André R.M., Akan heritage in Maroon culture in Suriname. In: I. Van Kessel 2002 (ed.) Merchants, Missionaries & Migrants, 300 years of Dutch- Ghanian relations. KIT Publishers, Amsterdam .
[1] Andre R.M. Pakosie. Geboren in 1955 te Diitabiki in het Tapanahoni gebied (binnenland van Suriname). Natuurgenees-kundige, fytotherapeut (volgens de traditie van de Marrons uit het tropisch regenwoud van Suriname), Marronhistoricus, schrijver, dichter, hoofdredacteur van Siboga (het tijdschrift voor Marron cultuur en geschiedenis), voorzitter van het Marroninstituut Stichting Sabanapeti, documentaire maker, sinds 1993 Edebukuman (hoofd van de kenners van het Afáka syllabeschrift), grondlegger (in 1974) van de Dag van de Marrons. Debuteerde als schrijver in 1972 op 17-jarige leeftijd met het boek: “De dood van Boni, schrijft proza en poëzie. Naast eigen publicaties, publiceerde hij ook in gerenommeerde tijdschriften zoals, ‘The Journal of Legal Pluralisme and Unofficial Law’ (University of Birmingham, Engeland), De Gids, NWIG (New West Indian Guide/Nieuwe West-Indische Gids), OSO (Tijdschrift voor Surinaamse taalkunde, letterkunde en geschiedenis) en BSS (Bronnen voor de Studie van Suriname). Gespecialiseerd in de cultuur en geschiedenis van de Marrons.
HISTORISCHE TERUGBLIK OP DE MARRONSAMENLEVINGEN VANAF 1960
Door: André R.M. Pakosie
Auteursrechten – Dit artikel beslaat zeven pagina’s. Op al mijn artikelen rust auteursrecht. Geen enkel artikel uit mijn publicaties mag, geheel of gedeeltelijk, op welke wijze dan ook worden verveelvoudigd, gereproduceerd of openbaar gemaakt zonder correcte bronvermelding. Door de aanschaf of het bezit van enig artikel of publicatie van mijn hand gaat men akkoord met deze voorwaarden.
Noot – Bij het lezen van dit artikel dient men rekening te houden met het feit dat in de Marrontalen de meervoudsvorm wordt aangegeven via het lidwoord. Dit impliceert dat een titel kan verwijzen naar één of meerdere personen of zaken (bijvoorbeeld: een Gaanman en zes Gaanman). Wat betreft de spelling van Marronwoorden en -namen wordt de schrijfwijze gevolgd zoals vastgesteld in mijn artikel Writing in Ndyukatongo, a Creole Language in South America (Siboga, jrg. 13, nr. 1, 2003).

Inleiding
Dit artikel biedt een gestructureerde terugblik op de sociaal-culturele, politieke en economische ontwikkelingen in de Marronsamenlevingen van Suriname, Frans-Guyana en de diaspora (met name Nederland en België) sinds 1960.
Isolatie
Tot in de jaren 1960 leefden de zes Marrongemeenschappen van Suriname en Frans-Guyana vrijwel volledig volgens hun eigen tradities, normen, waarden, politieke structuren, religie en bestuurlijk systeem. Hun samenleving was in aanzienlijke mate geïsoleerd van het westers georiënteerde kustgebied, bewoond door onder anderen Creolen, Hindoestanen, Javanen, Boeroe of Boeren (nazaten van Nederlandse kolonisten die zich in de 19e eeuw als landbouwers in Suriname hebben gevestigd), Chinezen, Joden en Libanezen. De centrale steden in dit kustgebied zijn Paramaribo (Suriname) en Cayenne (Frans-Guyana). De enige toegang tot de gebieden van Marrons en Inheemsen verliep via de rivieren, die werden gekenmerkt door talloze onstuimige sula (stroomversnellingen). Zonder de medewerking van Marron- en Inheemse bootvaarders konden bewoners van het kustgebied deze regio’s niet bereiken.
Marronmannen reisden, met toestemming van hun families, tijdelijk naar de economische centra in het kustgebied om goederen te verkrijgen die zij zelf niet produceerden, zoals zeep, zout, stoffen en petroleum. Daarnaast zochten zij tijdelijk werk in sectoren als de bagasi (vrachtvaart), balatawinning, houtkap en goudmijnen. Zij werden ook ingeschakeld voor het begeleiden van bostochten en andere expedities, evenals voor deelname aan gezondheids-programma’s, bijvoorbeeld bij de bestrijding van malaria.
De sociale controle en wederzijdse zorg binnen de Marrongemeenschappen waren destijds sterk ontwikkeld. Wanneer mannen tijdelijk vertrokken, spraken zij een uiterste terugkeerdatum af. Indien zij een gezin hadden, nam de familie die in het dorp achterbleef tijdens hun afwezigheid de zorg voor het huishouden op zich.
Invloed van Paramaribo en het christendom
In Paramaribo waren de levensomstandigheden erbarmelijk voor de Marronmannen die tijdelijk werk kwamen verrichten. Velen verbleven in krotten, in een “Kombe” (doorgangshuis) of in het oude abattoir dat toen lag op de hoek van de Drambrandersgracht en de Kleine Saramaccastraat, omringd door ratten en kakkerlakken. Contacten met de traditionele stadsbewoners waren er nauwelijks.
Aangezien het verblijf in de economische centra tijdelijk was, had hun aanwezigheid in Paramaribo nauwelijks invloed op de Marronsamenlevingen. Onder anderen de Okanisi-Marrons waren in die periode niet bereid de westerse cultuur te accepteren, waarvoor veel wantrouwen bestond.
De overheid en de traditionele stadsbewoners bemoeiden zich destijds weinig met de Marrons en deden geen serieuze pogingen hen te bereiken, behalve wanneer dit in hun eigen belang was. In de geschiedenis van de Marrons zien we bijvoorbeeld dat de overheid in Paramaribo systematisch heeft getracht invloed uit te oefenen op het bestuurlijke systeem van de Marrons en het traditioneel gezag te ondermijnen. Ook zendelingen en missionarissen ondernamen, met medewerking van de overheid, pogingen om de religie van de Marrons te verdringen door het christendom te introduceren. Elke Okanisi-Gaanman wenste onderwijs voor zijn volk, maar de kerk probeerde onder het mom van educatie de bevolking te kerstenen. De Gaanman van de Okanisi (1916–1929), da Papa Amakiti, was hiervan geen voorstander en verhinderde dat het onderwijs op die manier werd voortgezet.
Het Afáka-syllabeschrift van de Okanisi-Marrons, dat aan het begin van het eerste decennium van de twintigste eeuw werd ontworpen door de Okanisi-Marron da Atumisi Afáka en in de gemeenschap werd geïntroduceerd, werd door missionarissen aangegrepen om de christelijke boodschap onder de Okanisi te verspreiden. Daarbij schroomden zij niet om ernstige inbreuken te maken op de traditie van de Okanisi-Marrons. Om die reden verzette het Okanisi-traditionele gezag zich tegen het Afákaschrift en verbood het in 1918, waardoor dit belangrijke schrift niet verder onder de Marrons werd verspreid en beperkt bleef tot een selecte groep. Het verbod op het Afákaschrift duurde van 1918 tot 1975.
Vanwege mijn belangstelling voor dit schrift meldde ik mij in 1975 aan bij de toenmalige Edebukuman (hoofd en bewaarder) van het Afákaschrift, da Alufaisi Kastioe, om het van hem te leren. Hij deelde mij mee dat hij het graag aan mij wilde overdragen, maar dat dit verboden was, tenzij de Gaanman het verbod zou opheffen en hem toestemming zou geven. Samen met da Alufaisi heb ik mijn wens besproken met gaanman Gazon Matodja; tot onze grote blijdschap gaf hij toestemming, waarmee het verbod werd opgeheven. Het vervulde mij met grote vreugde dat ik het schrift kon leren, en wel niet van iemand die het Afáka had aangeleerd, maar van degene die destijds de tweede opvolger was van de ontwerper, da Atumisi Afáka, als Edebukuman. Da Alufaisi was bovendien aanwezig toen da Atumisi Afáka het schrift ontwierp; hij en zijn vader, da Abena, waren de eerste twee personen aan wie da Atumisi Afáka het schrift onderwees. Voor da Alufaisi was de toestemming van de Gaanman eveneens een grote vreugde, omdat hij zo de wens van de ontwerper kon vervullen: iemand opleiden die het Afákaschrift verder zou moeten ontwikkelen en verspreiden.
Rijkdom
Voor de vroegere Marrons bestond rijkdom vooral niet uit het bezit van geld, maar uit overlevingskennis en het vermogen te voorzien in goederen die noodzakelijk waren voor het levensonderhoud. Bezittingen zoals een boot, een huis en vergelijkbare goederen hadden grote waarde. De goederen die men niet zelf kon produceren, werden onder meer in de economische centra van Suriname en Frans-Guyana aangeschaft. Na hun noodzakelijke verblijf keerden de mannen terug naar hun dorpen met uiteenlopende producten, zoals zeep, zout, stoffen en kaas. De dorpsgemeenschap deelde in deze goederen; wanneer iemand bijvoorbeeld een blok zeep meenam, ontving het hele dorp, en in het bijzonder de ouderen, een deel.
Taak- en rolverdeling
Binnen de Marrongemeenschappen hadden mannen en vrouwen elk hun specifieke taken en verantwoordelijkheden. Er golden normen en waarden waaraan ieder lid diende te voldoen. Het individu was verantwoording verschuldigd aan zowel zijn familie als de gemeenschap. De familie was intensief betrokken bij het gezinsleven; de ooms en tantes van vooral moederskant droegen zorg voor de overdracht van kennis binnen de familie. Respect voor ouderen en gezagsdragers stond centraal. Wie zich niet hield aan de normen en waarden van de gemeenschap werd aangemerkt als wisiwasiman – een nietsnut. Deze kwalificatie wilde destijds niemand dragen. De Okanisi-Marrongemeenschap was bijvoorbeeld gegrondvest op de Sweli Gadu, die het leven van de Okanisi in hoge mate bepaalde.
De trek naar Paramaribo
Aan het begin van de jaren zestig, toen de Creoolse politieke leider Johan Adolf Pengel inzag dat hij voor een verkiezingsoverwinning een breder electoraat nodig had, begon hij leden van de Marrongemeenschap actief bij zijn partij te betrekken. Tijdens de verkiezingscampagnes trok de Creoolse Nationale Partij Suriname (N.P.S.) het binnenland in om stemmen te werven. Deze strategie markeerde het begin van het tijdperk van de zogenoemde Boslandcreolen, een benaming waarmee Creolen meenden hun verwanten uit het binnenland te verheffen. De Creoolse politici in Paramaribo streefden er dus naar om een kunstmatige eenheid te creëren tussen de Afro-Surinaamse bevolking, de Marrons en de Creolen.
De migratiestroom van Marrons naar Paramaribo nam in hoog tempo toe; in deze periode vestigden ook vrouwen en kinderen zich steeds vaker in de stad. De Marrongemeenschappen begonnen zich geleidelijk open te stellen voor de westerse cultuur van Paramaribo. Hun primaire doel was deelname aan ontwikkelingen die hen vooruitgang konden brengen, zoals onderwijs, gezondheidszorg en moderne communicatiemiddelen. Deze openstelling had echter ook een keerzijde: al snel werd duidelijk dat de overheid wel wilde profiteren van de rijkdom die de Marrons in stand hadden gehouden, maar niet de bedoeling had hen te laten delen in de rijkdom en vooruitgang van de stad en het land. Dit vergrootte de reeds bestaande ongelijkheid tussen de traditionele stadsmensen en de Marrons.
In Paramaribo vestigden leden van de Marrongemeenschap zich veelal in sociaal-economisch achtergestelde wijken. Zij werden frequent geconfronteerd met vormen van discriminatie, in het bijzonder afkomstig van Creoolse stedelingen. Er ontbrak aan institutionele begeleiding, terwijl tevens sprake was van een structureel tekort aan adequate huisvesting.
Nieuwe generatie jongeren Marronjongeren
De discriminatie die de Marrons ondervonden, had aanzienlijke gevolgen voor de jongere generatie die in Paramaribo opgroeide. Sommigen kampten met identiteitsproblemen: zij wilden zich niet langer identificeren met de cultuur van hun ouders en voorouders, maar vonden ook onvoldoende aansluiting bij de stedelijke cultuur. Daarbij verhinderde geldgebrek velen om door te stromen naar het voortgezet onderwijs, wat leidde tot vroegtijdige schooluitval. Er ontstond een verloren generatie Marronjongeren die weinig tot geen toekomstperspectief had, geen toegang tot werk vond en een ontoereikend inkomen verwierf. Het gebrek aan onderwijs maakte het onmogelijk om maatschappelijk op te klimmen. Bovendien kwamen bepaalde normen en waarden die in het binnenland heel gewoon waren, zoals gastvrijheid en respect, niet overeen met de stedelijke realiteit. Ze ontdekten dat ze niet op dezelfde manier werden verwelkomd als zij anderen hadden leren verwelkomen. Ze concludeerden dat deze waarden geenszins als vanzelfsprekend konden worden beschouwd onder de traditionele stedelijke bevolking. Dit was voor velen een bron van frustratie.
De Marronjongeren hadden nieuwe rolmodellen nodig: mensen die zich in beide culturen – die van Paramaribo en het binnenland – konden bewegen en die streden voor maatschappelijke vooruitgang. Ik had het voorrecht een van deze rolmodellen te mogen zijn. In 1968, op 13-jarige leeftijd, richtte ik de A.B.J.O. (Algemene Binnenlandse Jongeren Organisatie) op, later hernoemd tot AKIFONGA (“strijders”).
In genoemde periode zette ik mij in om Marronjongeren in Paramaribo bewust te maken van hun culturele erfgoed en de maatschappelijke problemen waarmee zij werden geconfronteerd. Later moedigde ik, samen met andere Marronjongeren uit die periode die ik wist te verenigen -onder wie Raymond Misiedjan, Robert Asoitie, Louise Asongie, Hendrik Asidan, André Misiekaba, Cornelly Prisirie, Kensly Vrede, Hendrik Babel en Belfon Aboikoni - de opgroeiende Marronjongeren aan hun eigen toekomst vorm te geven en zich te verzetten tegen ongelijkwaardige behandeling en onevenwichtige machtsverhoudingen.
In 1974 nam ik het initiatief tot de instelling van de ‘DAG VAN DE MARRONS’, ter herdenking van de strijd van de voorouders van de zes Marrongemeenschappen tegen onderdrukking en voor de verwerving van vrijheid. In 2010 werd deze dag door de Surinaamse overheid officieel erkend als nationale feestdag.
De Surinaamse overheid heeft de door ons geïnitieerde maatregelen ter verbetering van de positie van de Marrons evenwel niet overgenomen. Er zijn geen inspanningen verricht om hun participatie in de nationale ontwikkeling te bevorderen, noch zijn er duurzame ontwikkelingsprojecten tot stand gebracht in de traditionele woongebieden van de Marrons en de Inheemse bevolking. Hierdoor is de sociaal-economische achterstand van deze regio’s blijven bestaan. Een aanzienlijk deel van de Marronbevolking is nog steeds analfabeet, hetgeen sociale mobiliteit ernstig belemmert. Binnen het politieke machtscentrum ontbraken bovendien gedurende lange tijd politieke partijen of vertegenwoordigers die zich voor hun belangen konden inzetten.
De Bouterse–Brunswijk-oorlog
De brede steun van Marronjongeren en -ouderen aan het Jungle Commando tijdens de Bouterse–Brunswijk-oorlog was, in tegenstelling tot wat vaak wordt verondersteld, geen spontane keuze voor een persoonlijke vete tussen beide rivalen. De brede steun vloeide grotendeels voort uit de collectieve vergeldingsacties van Bouterse en zijn leger tegen de Marrons, naar aanleiding van het gewapende verzet dat Brunswijk en het Jungle Commando tegen hem waren begonnen. Deze oorlog leverde echter niet de verwachte vooruitgang op; integendeel, talrijke dorpen werden verwoest en de Marronsamenlevingen raakten diepgaand ontwricht. Het geweld bereikte het binnenland, waar conflicten voorheen door traditionele gezagsstructuren werden opgelost. Tegenwoordig wordt bij dergelijke geschillen steeds vaker naar wapens gegrepen. De toenemende criminaliteit onder de jongeren draagt bij aan de aantasting van het gezag binnen de eigen gemeenschappen. Daarnaast zijn er traditionele leiders die zich, uit eigenbelang, laten beïnvloeden door politici, waardoor hun autoriteit geleidelijk verder afneemt.
Deze ontwikkelingen zetten zich voort – en verergerden zelfs – nadat Marrons vanaf 2005 bestuurlijke verantwoordelijkheden gingen delen via hun eigen politieke partijen. Tijdens de regeringsperiode 2020-2025 bekleedden Marrons zelfs sleutelposities in zowel de wetgevende als de uitvoerende macht. Toch werd er, grotendeels door nepotisme en vriendjespolitiek – waarbij het algemeen belang ondergeschikt werd gemaakt aan persoonlijke, familie- en vriendenbelangen – weinig tot geen vooruitgang geboekt op het gebied van duurzame ontwikkeling van het binnenland. Deze regio, het traditionele thuisland van inheemse volkeren en Marrons, blijft verwaarloosd en fungeert als een wingewest voor politici in Paramaribo. Afgezien van enkele incidentele showprojecten blijft het traditionele woongebied van de Inheemsen en de Marrons sociaaleconomisch ver achter.
Deze negatieve ontwikkelingen hielden aan en verergerden zelfs nadat Marrons vanaf 2005, via eigen politieke partijen, medeverantwoordelijkheid kregen in de regering. In de periode 2020–2025 bekleedden zij zelfs sleutelposities binnen zowel de wetgevende als de uitvoerende macht. Desondanks werd, mede door familie‑ en vriendjespolitiek waarbij het algemeen belang ondergeschikt bleef aan persoonlijke en familiale belangen, nauwelijks vooruitgang geboekt op het gebied van duurzame ontwikkeling in het binnenland. Dit gebied, het traditionele woongebied van Inheemsen en Marrons, blijft achtergesteld en fungeert als wingewest voor de politici in Paramaribo. Afgezien van enkele incidentele prestigeprojecten blijft het sociaal‑economisch sterk achterlopen.
Economische wildgroei
Economische wildgroei vormt een ernstige bedreiging voor zowel het regenwoud als de samenlevingen in het binnenland. Goudwinning en grootschalige houtkap resulteren in de uitverkoop van bossen en andere natuurlijke hulpbronnen, waarbij iedereen die over de middelen beschikt hieraan deelneemt. Marronjongeren, die normaliter onderwijs zouden moeten volgen, worden gedwongen om in de goudwinning te werken om in hun levensonderhoud te voorzien. Dit verstoort de sociale verhoudingen: gevestigde structuren raken ontwricht en jongeren met toegang tot goud verkrijgen een dominante positie binnen de gemeenschap. Bovendien zien sommige vrouwen zich genoodzaakt prostitutie te bedrijven om toegang tot goud te verkrijgen en daarmee in hun levensonderhoud te voorzien. Deze ontwikkeling leidt tot een ingrijpende verschuiving in de man‑vrouwrelatie.
Ook westerse en andere buitenlandse actoren dragen bij aan deze ongeremde economische exploitatie en nemen, zonder scrupules en zonder enige vergoeding, niet alleen bos- en bodemschatten maar ook cultureel erfgoed, traditionele kennis en vaardigheden met betrekking tot medicinale planten van Inheemsen en Marrons mee naar hun eigen land.
Migratie (trek naar o.a. Nederland)
Als gevolg van de Bouterse‑Brunswijk‑oorlog vluchtten vele Marrons naar onder meer Nederland, de Verenigde Staten, Canada, Frankrijk en België. In Nederland ondervinden degenen die in Suriname reeds een achterstand hadden, nog grotere aanpassingsproblemen. Door (semi)analfabetisme en onbekendheid met de nieuwe cultuur participeren velen slechts beperkt in het maatschappelijk leven. Bovendien bestaat er weinig vertrouwen in de Surinaamse welzijnsinstellingen die destijds (mede) ter behartiging van hun belangen werden opgericht, aangezien deze sterk etnisch georiënteerd waren en zijn. Marrons in Nederland zijn daardoor in hoge mate op zichzelf aangewezen. Tegelijkertijd heeft zich een aanzienlijk cultuurverlies voorgedaan: cultuurdragers binnen families zijn vaak afwezig en de familiale steunstructuren zijn weggevallen, waardoor individuen op eigen inzicht handelen en gemeenschappelijke kaders verder verzwakken.
Marron Traditionele cultuur versus westerse cultuur
De toekomst van de Marrongemeenschappen in onder meer Nederland, België en Suriname oogt weinig rooskleurig, al zijn er enkele positieve ontwikkelingen. In Suriname hebben, na de Bouterse‑Brunswijk‑oorlog, veel Marronjongeren zich gedrongen tot universitaire opleidingen; een deel van hen is inmiddels afgestudeerd en bekleedt een goede functie. Ook in Nederland weet een groeiende groep jonge Marrons zich succesvol te ontwikkelen in zowel het onderwijs als op de arbeidsmarkt.
In 2000 installeerde gaanman Gazon Matodja tijdens een bezoek aan Nederland de eerste raad van Kabiten en Basiya, met als doel waar nodig culturele en maatschappelijke ondersteuning te bieden aan de Okanisi‑Marrons in Nederland. Dit initiatief kreeg in 2006 navolging door de Pamaka‑Marrons en in 2007 door de Saamaka‑Marrons; jaren later volgden de Matawai en de Kwiïnti met een ondersteunend traditioneel gezag voor hun gemeenschappen.
Tot en met 2012 functioneerden de traditionele gezagsstructuren van Okanisi‑, Pamaka‑ en Saamaka‑Marrons in Nederland naar behoren en overeenkomstig hun mandaat. Zij werkten samen en traden op ter behartiging van de belangen van de Marrons. Tegenwoordig laat het functioneren van het traditionele gezag van de diverse Marrongroepen in Nederland echter te wensen over. De onderlinge verhoudingen zijn stroef en binnen de groepen bestaat rivaliteit. In plaats van samenwerking en gezamenlijke belangenbehartiging ligt de nadruk op hiërarchie en persoonlijke status – op de vraag wie boven wie staat. Het gevolg is dat kansen onbenut blijven die door samenwerking wél gerealiseerd hadden kunnen worden. Door onderlinge rivaliteit profileren individuen zich als vertegenwoordigers van (een) Marrongemeenschap(pen) en werven zij fondsen die niet of slechts ten dele ten goede komen aan de betrokken gemeenschappen.
Om te komen tot een stabiele Marronsamenleving in Nederland is het noodzakelijk enerzijds het waardevolle uit de eigen culturele tradities te behouden en anderzijds passende westerse elementen te omarmen die de maatschappelijke positie kunnen verbeteren en bestendigen. Bovenal is STRUCTURELE SAMENWERKING essentieel.
Slotbeschouwing
Sinds de jaren zestig hebben de Marronsamenlevingen ingrijpende transformaties doorgemaakt. Van geïsoleerde gemeenschappen diep in het binnenland tot diasporagemeenschappen in Europese steden en stedelijke omgevingen elders, hebben zij zich herhaaldelijk moeten aanpassen aan politieke, economische en sociale verschuivingen. Ondanks tegenslagen, discriminatie en verlies van tradities zijn er duidelijke tekenen van veerkracht en vooruitgang -vooral in onderwijs, professionalisering en culturele herwaardering. De toekomst van de Marrongemeenschappen is in hoge mate afhankelijk van versterkte onderlinge samenwerking, in combinatie met een strategische integratie van eigen culturele waarden en selectieve modernisering.
[1] André R.M. Pakosie (geboren in 1955 te Diitabiki, in het Tapanahonigebied van het binnenland van Suriname). Natuurgeneeskundige en fytotherapeut, opgeleid in en handelend naar de tradities van de Marrons uit het tropische regenwoud van Suriname; geschiedschrijver, dichter, redacteur van Siboga (tijdschrift voor Marroncultuur en -geschiedenis), voorzitter van het Marroninstituut Stichting Sabanapeti ; documentairemaker; van 2000 tot 2012 Kabiten (traditionele leider) van de Okanisi-Marrons in Nederland; sinds 1993 Edebukuman (hoofd en bewaarder van het Afáka-syllabeschrift); grondlegger (in 1974) van de Dag van de Marrons, een nationale herdenkingsdag in Suriname ter ere van de vrijheidsstrijd van de voorouders van de Marrons; drager van de hoogste Marrononderscheiding, de Gaanman Gazon Matodja Award; Ridder in de Ere-Orde van de Gele Ster (Suriname); debuteerde in 1972, op zeventienjarige leeftijd, als schrijver met het boek ‘De dood van Boni’; schrijft proza en poëzie. Zijn werk verscheen onder meer ook in gerenommeerde tijdschriften zoals The Journal of Legal Pluralism and Unofficial Law (University of Birmingham, Engeland), De Gids, NWIG (New West Indian Guide/Nieuwe West-Indische Gids), OSO (Tijdschrift voor Surinaamse taalkunde, letterkunde en geschiedenis) en BSS (Bronnen voor de Studie van Suriname). Hij is gespecialiseerd in de cultuur en geschiedenis van de Marrons.
HET MARRON-TRADITIONELE GEZAG OP HET BREUKVLAK TUSSEN TRADITIE EN MODERNITEIT
Door: André R.M. Pakosie
AUTEURSRECHTEN: Dit artikel is eerder door mij gepubliceerd in het Marrontijdschrift SIBOGA, jaargang 17, nr. 2, 2007. Op al mijn artikelen rust auteursrecht. Geen enkel artikel van mijn hand mag, op welke wijze dan ook en geheel of gedeeltelijk, worden gereproduceerd of gepubliceerd zonder correcte bronvermelding.
De inhoud van dit artikel is gebaseerd op de inleiding die ik, als grondlegger van de Dag van de Marrons, heb uitgesproken op 6 oktober 2007 tijdens de 33ste viering van de Dag van de Marrons in Nederland (Rotterdam).

1. Inleiding
Ik heb mijn artikel de titel gegeven: ‘Het Marron-traditionele gezag op het breukvlak tussen traditie en moderniteit’. Deze titel weerspiegelt de huidige positie van het Marron-traditionele gezag: een instituut dat balanceert tussen verleden en heden, en dat een passende koers moet zien te vinden binnen de nieuwe tijd waarin de Marrongemeenschappen zijn beland. De wijze waarop deze koers wordt bepaald, zal van grote invloed zijn op het voortbestaan en het functioneren van het traditionele gezag in de toekomst. Om die reden is het van belang hierover een brede maatschappelijke discussie te voeren. Dit artikel beoogt een bijdrage te leveren aan dat debat.
Allereerst worden puntsgewijs enkele aspecten besproken die de lezer inzicht verschaffen in de maatschappelijke en staatkundige organisatie van de traditionele Marronsamenleving, waaronder de matrilineaire structuur, bestuurlijke verantwoordelijkheden, rechtspraak en de ontwikkeling van het traditionele gezag door de eeuwen heen. Aan de hand van casuïstiek worden vervolgens de pogingen van de centrale overheid in Paramaribo, vanaf de koloniale periode tot heden, uiteengezet om het traditionele gezag te ondermijnen. De politieke onwil van de Surinaamse overheid om het Binnenland te ontwikkelen is daarbij onmiskenbaar. Tot slot formuleer ik enkele aanbevelingen voor het behoud van het traditionele gezag en voor de wijze waarop dit in de toekomst een positieve bijdrage kan leveren aan de ontwikkeling van de Surinaamse Marrongemeenschappen.
Een opmerking vooraf. Bij het beschrijven van aspecten van de Marronsamenlevingen is het van belang te erkennen dat veel begrippen niet zonder betekenisverlies kunnen worden vertaald. Vooral (westerse) antropologen hebben de neiging om woorden, terminologie en titulatuur uit de taal van de door hen bestudeerde gemeenschappen te vertalen naar hun eigen taal. Dit leidt vaak tot onjuiste interpretaties, met alle gevolgen van dien.
Het gebruik van de term ‘stam’ voor gemeenschappen in niet‑westerse samenlevingen, zoals die van de Marrons, is volstrekt misplaatst. Voor de Marronsamenlevingen dient men de terminologie te hanteren die door de Marrons zelf wordt gebruikt, namelijk Gaan-lo of Nási. Een Gaan-lo of Nási verwijst naar een Marron-etnische gemeenschap.
Ook termen als Grootopperhoofd en Kapitein zijn misplaatst en weerspiegelen niet de betekenis en functie van de titulatuur in de Marrontalen, namelijk Gaanman en Kabiten. Een Gaanman is de hoogste leider, of, zoals ouderen het vroeger uitdrukten, de koning van een Marron‑etnische gemeenschap. Een Kabiten is de leider van een Lo (een sub‑Marron‑etnische gemeenschap) en/of van groepen mensen die, al dan niet behorend tot dezelfde Lo, in eenzelfde woonomgeving verblijven buiten hun traditionele territorium.
2. Marronsamenlevingen in Suriname, Frans-Guyana en de diaspora
Op het eerste gezicht lijken de Marronsamenlevingen eenvoudig, maar in werkelijkheid zijn zij zeer complex. Inzicht in hun basisstructuur is daarom noodzakelijk om deze complexiteit te kunnen begrijpen.
Er zijn vijf Marron-etnische gemeenschappen met traditionele woongebieden in het binnenland van Suriname, en één Marron-etnische gemeenschap met een traditioneel woongebied in Frans-Guyana. Deze zes Marron-etnische gemeenschappen, Gaan-lo of Nási, zijn:
- Ndyuka of Okanisi, met traditionele woongebieden aan de Tapanahoni, Saakiiki, Cottica, Commewijne, Saramakka rivier (Santigoon en Totikampu) en Fuudu-ini (benedenloop van de Marowijnerivier: Bilokondee tot Pakila);
- Saamaka, met traditionele woongebieden aan de Pikinlio, Gaanlio, en zowel boven als beneden het stuwmeer;
- Pamaka, met hun traditionele woongebied aan de Marowijnerivier tussen Tapudan en Bofootabiki;
- Matawai, met hun traditionele woongebied aan de Matawailiba (bovenloop van de Saramakkarivier);
- Kwiïnti, met hun traditionele woongebied aan de Coppenamerivier;
- Aluku of Boni, met hun traditionele woongebied in Frans-Guyana (de Lawa en de benedenloop van de Marowijnerivier).
Tegenwoordig spreekt men ook over Surinaamse en Frans‑Guyanese Marrons in de diaspora, omdat leden van de zes Marron‑etnische gemeenschappen wereldwijd verspreid zijn. Wanneer Marrons buiten hun oorspronkelijke woongebieden in een andere samenleving leven, veranderen bepaalde etnische kenmerken, zoals voeding, kleding, muziek, religie, waarden en normen. In de diaspora ontwikkelen Marron‑kinderen bovendien vaak een andere etnische identiteit dan die van hun ouders.
Hoe verder en geïsoleerder Marrons wonen buiten hun traditionele samenlevingen, hoe groter de kans dat zij hun taal, waarden en normen verliezen. In meer of mindere mate maken deze plaats voor de culturele kenmerken van de nieuwe samenleving waarin zij zich vestigen.
Wanneer Marrons zich echter in grotere concentraties vestigen, vooral wanneer zij afkomstig zijn uit dezelfde etnische gemeenschap, zien wij dat zij actief proberen hun tradities te behouden. Zij organiseren zich bijvoorbeeld in culturele of belangenorganisaties. Toch kunnen dergelijke initiatieven de onvermijdelijke veranderingen niet volledig tegenhouden.
3. Matrilineaire ordening, gezags- en sociaalmaatschappelijke structuur
Aan het hoofd van elke Gaan-lo staat een Gaanman. Sinds de tweede helft van de achttiende eeuw kennen de Marrongemeenschappen een duidelijke en betekenisvolle ordening in hun maatschappelijke structuur, bestaande uit een politiek‑bestuurlijke orde, waarin bestuur, rechtspraak en religieuze aangelegenheden zijn geregeld, en een sociaal‑maatschappelijke orde, die in hoofdzaak gebaseerd is op een matrilineair verwantschapssysteem.
Dit matrilineaire systeem houdt in dat kinderen tot de moederlijn worden gerekend en dat ook de erfopvolging van gezagsposities via deze lijn plaatsvindt. De gezagsstructuur bestaat uit de verschillende matrilineaire segmenten waaruit de samenleving is opgebouwd: Osu, Mamapikin, Beë en Gaan-lo of Nási
3.1. Osu
De Osu is het gezin en bestaat uit de moeder en haar kinderen, die tot dezelfde matrilinie behoren, en de man, de vader van de kinderen, die tot een andere matrilinie behoort. Zolang hij samenwoont met de moeder van zijn kinderen, maakt hij deel uit van de Osu van zijn vrouw.
Het gezag binnen de Osu berust secundair bij de ouders, maar primair bij de matrilineaire broers en zusters van de moeder: de Tiyu en Tiya van de kinderen. Begrippen als oom, tante, broer en zus hebben in de Marronsamenlevingen een andere betekenis dan in westerse contexten. Nichten en neven van beide ouders worden eveneens als tantes en ooms beschouwd, omdat de termen broer en zus ook voor neef en nicht worden gebruikt.
Volgens het Marrongemeenschapsrecht zijn de matrilineaire ooms en tantes juridisch gezien respectievelijk ‘vader’ en ‘moeder’ van de kinderen van hun matrilineaire zusters. Zij dragen de verantwoordelijkheid om toe te zien op een correcte opvoeding van deze kinderen. De gezinshoofden, de moeder en de vader, zijn in feite verantwoording schuldig aan de matrilineaire ooms en tantes van de moeder over het reilen en zeilen binnen hun gezin.
3.2. Mamapikin
Een Mamapikin is een matrisegment dat wordt gevormd door personen die een gemeenschappelijke grootmoeder en/of overgrootmoeder hebben. Het betreft dus meerdere Osu samen, met uitzondering van de vaders binnen de Osu, aangezien zij tot andere matrilinies behoren. Het gezag binnen dit segment berust bij de matrilineaire ooms en tantes.
3.3. Beë
De Beë is de matrilinie. Zij wordt gevormd door verschillende Mamapikin die eenzelfde Gaánḿmafubeë delen: de vrouw die vanuit Afrika naar Suriname werd gebracht tijdens de slavernij en uit wie de groep is voortgekomen. De Beë biedt daarom de meest waardevolle informatie voor het traceren van de Afrikaanse oorsprong van Marrongroepen.
De Gaántiï en Gaántiya (oudooms en oudtantes) van de leden van de Mamapikin vormen het gezag van de Beë. Zij zijn de matrilineaire broers en zusters van de grootmoeder. Uit een Beë komt de Kabiten voort, de hoogste gezagsdrager binnen een Lo.
3.4. Lo
Een Lo is een matrilineair gestructureerde sub‑etnische groep, bestaande uit doorgaans meerdere Beë die onderling geen bloedverwantschap hoeven te hebben. Het gezag binnen de Lo wordt uitgeoefend door de Kabiten, die wordt bijgestaan door zijn Basiya. De oudooms en oudtantes binnen de Beë zijn verantwoording verschuldigd aan de Kabiten.
3.5. Gaán-lo of Nási
De Gaan-lo of Nási vormt de volledige matrilineair gestructureerde etnische gemeenschap. Zij bestaat uit meerdere Lo, met een Gaanman als hoogste leider. In sommige Marronsamenlevingen is de Gaanman tevens, zij het soms slechts in naam, de hoogste spirituele leider van zijn volk. Een Marron‑gezagdrager fungeert in de regel als schakel tussen de levenden, de doden en de goden.
4. Erfrecht, normen en waarden
In de traditionele Marronsamenlevingen wordt de vraag wie het gezag van Kabiten of Gaanman moet dragen volledig bepaald door de matrilineaire structuur. Het Marron‑erfrechtsysteem waarborgt de continuïteit van zowel de fysieke als de immateriële erfenis, die via de moederlijn generaties lang wordt doorgegeven. De Marron‑familieband is elastisch en vrijwel onbeperkt rekbaar. Dit betekent dat elke Marron een groot aantal potentiële erfgenamen heeft: van moeders- en moederszusterskinderen tot hun kleinkinderen en achterkleinkinderen, kortom een erfrecht dat teruggaat tot de Gaánḿmafubeë in de moederlijn.
Een fundamentele norm in de traditionele Marronsamenlevingen is dat een persoon respect heeft voor zichzelf, en daardoor ook voor zijn medemens en voor zijn omgeving. Dit vormt het uitgangspunt van opvoeding en vorming en is diep verankerd in de gezags- en sociaal‑maatschappelijke structuren. Het opvoedingssysteem is erop gericht elk Marronkind voor te bereiden op een mogelijke gezagsfunctie. In principe kan elke Marron een gezagdrager worden. Zij leven niet uitsluitend voor zichzelf, maar voor de gemeenschap als geheel.
Er is sprake van een collectieve verantwoordelijkheid. Wie zich niet houdt aan de heersende normen en waarden wordt beschouwd als een wisiwasiman, een nietsnut, een kwalificatie die niemand wil dragen.
Marronsamenlevingen worden van oudsher bestuurd op basis van gezag. Gezag kan slechts worden verworven op grond van ethische normen, achtenswaardige kwaliteiten en de functionaliteit van de persoon binnen de eigen gemeenschap. In het traditionele rechtssysteem zijn doorgaans geen wapens of gevangenissen nodig om de orde te handhaven.
5. Bestuurlijke verantwoordelijkheid in de traditionele Marronsamenleving
Elke Marronsamenleving, de Nási of Gaan-lo, wordt bestuurd door de Lanti-fu-a-Liba, het bestuur van het traditionele leefgebied. Dit bestuur bestaat uit het college van Kabiten en Basiya, bijgestaan door de zogenoemde Bendi-a-se-man, een adviserende volksraad waarvan de samenstelling telkens kan wisselen. De Gaanman, als hoogste leider, is ambtshalve het hoofd van de Lanti-fu-a-Liba en is onschendbaar.
De Lo-lanti, bestaande uit de Kabiten en Basiya van de Lo, bijgestaan door een dorpsraad met eveneens wisselende samenstelling, vormt het bestuur van een Lo. De Lo-lanti is verantwoording verschuldigd aan de Lanti-fu-a-Liba.
De Lanti-fu-a-Liba vergadert in principe minstens eenmaal per jaar en wordt door of namens de Gaanman voorgezeten. Deze vergadering heet Twalufu-Lo-kuütu of Liba-kuütu. Tijdens deze bijeenkomst bespreekt men het toekomstige beleid en stelt of wijzigt men wetten. Een nieuwe wet treedt pas in werking nadat de Gaanman deze heeft bekrachtigd. Daarbij moet worden aangetekend dat de Gaanman, ook al is hij de hoogste leider, volgens het Marrongewoonterecht niet bevoegd is om ingrijpende veranderingen door te voeren zonder voorafgaande goedkeuring van de Lanti‑fu‑a‑Liba.
Het bestuurlijke systeem van de Marrons kent een hoogontwikkelde vorm van besluitvorming. Besluiten worden niet genomen op basis van meerderheid van stemmen; men stemt dus niet voor of tegen een voorstel. Besluitvorming vindt plaats op basis van consensus. Er wordt gediscussieerd totdat volledige overeenstemming is bereikt. Een besluit moet de instemming hebben van alle aanwezige deelnemers. Niemand mag de vergadering verlaten met een diep ontevreden gevoel over de uitkomst.
6. Rechtspraak
In elk segment van de Marronsamenlevingen voeren één of meer personen het gezag. Deze gezagsdragers worden aangesproken wanneer een lid van het segment een misdrijf heeft gepleegd. Rechtspraken en andere wettige handelingen worden verricht in naam van de Gaanman en de Lanti.
Afhankelijk van de aard en ernst van het delict vindt rechtspraak plaats op het niveau van de verschillende segmenten: Osu, Mamapikin, Beë, Lo of Nási. Bij ernstige misdrijven die de gehele gemeenschap raken, vindt de rechtspraak plaats op Nási-niveau. De Gaanman en de Lanti stellen dan de Kabiten van de dader verantwoordelijk voor de misstap van zijn onderdaan. De Kabiten kan zelfs een zware boete opgelegd krijgen.
Vervolgens legt de Kabiten de opgelegde straf neer bij zijn Lo en stelt de gezagsdrager van de Beë van de dader verantwoordelijk. Deze legt op zijn beurt de strafmaat neer bij de gezagsdrager van de Mamapikin, die op zijn beurt de Osu en de dader zelf aanspreekt en ervoor zorgt dat de straf wordt uitgevoerd.
Dit systeem impliceert dat bij een negatieve daad van een individu de gehele structuur, Lo, Beë, Mamapikin en Osu, verantwoordelijk wordt gehouden. Er is dus sprake van collectieve verantwoordelijkheid. Marronsamenlevingen kennen bovendien een sterke sociale controle: iedereen houdt elkaar nauwlettend in de gaten. Door deze sociale controle en de effectieve strafrechtsgang kwamen vroeger relatief weinig delicten voor, en vrijwel niemand wist aan zijn straf te ontkomen.
7. Het Marron-traditioneel gezag door de eeuwen heen
De verschillende gezagsfuncties zijn, zoals eerder aangegeven, erfelijk. In de vroege Marrongeschiedenis was dit echter niet het geval. Tijdens de Lowéten, de periode tussen het verlaten van de plantages en het vinden van een definitieve vestigingsplaats, koos elke Lo zijn eigen leider, een persoon met bewezen leiderschapskwaliteiten. Dit betekende dat binnen een leefgebied met bijvoorbeeld twaalf Lo, ook twaalf gelijkwaardige leiders actief waren. Dat was binnen één gemeenschap geen werkbare situatie.
Daarom wees men, nadat verschillende Lo zich hadden gevormd tot één etnische gemeenschap, de Gaán-lo of Nási, uit de leiders van al deze Lo één persoon aan als primus inter pares, de eerste onder zijn gelijken, met de titel Gaanman.
In de loop van de geschiedenis kan echter niet langer worden gesproken van de Gaanman als primus inter pares, omdat een Gaanman binnen zijn eigen Gaan-lo of Nási geen gelijken heeft. Zijn gelijken zijn uitsluitend de Gaanman van de andere Marrongemeenschappen. Binnen zijn eigen gemeenschap is de Gaanman de suprême leider.
7.1. Zelfstandigheid
De Marrongezagsdragers functioneerden eeuwenlang volledig zelfstandig en konden hun gezag zonder externe inmenging uitoefenen. Toen de koloniale overheid met hen in overleg trad over het sluiten van vrede, onderhandelden beide partijen op basis van wederzijdse zelfstandigheid en een zekere mate van gelijkwaardigheid. Niettemin moet worden opgemerkt dat de vredesverdragen het traditionele gezag van de Marrons ook negatief hebben beïnvloed.
De koloniale macht kocht, in psychologische zin, de zelfstandigheid van het Marrontraditionele gezag af. Bij het sluiten van de vredesverdragen verplichtte de koloniale overheid zich jaarlijks ‘geschenken’ te sturen aan de Marrons. De Marrons vroegen specifiek om goederen waaraan zij grote behoefte hadden, zoals geweren, kruit, lood, houwers en bijlen. Het koloniale bestuur zond echter juist deze noodzakelijke artikelen slechts in beperkte mate, terwijl het wél ruime hoeveelheden hoeden, spiegels en andere voorwerpen zonder praktische waarde leverde. Door middel van psychologische beïnvloeding wist de koloniale overheid deze artikelen uiteindelijk tot een gepercipieerde behoefte te maken onder de Marrons.
Toen het koloniale bestuur eenmaal constateerde dat de Marrons volledig afhankelijk waren geraakt van deze goederen, besloot het in 1857 het zenden van goederen te staken. In plaats daarvan stelde men uitsluitend voor de Gaanman een jaarlijkse toelage in van driehonderd gulden, vijfentwintig gulden per maand. Dit bedrag kon worden verhoogd wanneer de Gaanman, en daarmee het traditionele gezag, bereidheid toonde om te handelen naar de inzichten van het gouvernement. Met andere woorden: wanneer het gezag zich ondergeschikt maakte aan het koloniale bestuur in Paramaribo.
8. Pogingen om het traditionele gezag van de Marronsamenlevingen te ondermijnen
Sinds de ondertekening van de vredestraktaten in de jaren zestig van de achttiende eeuw is het gebruikelijk dat de door de Marrongemeenschappen getroonde Gaanman naar Paramaribo reist voor erkenning door de koloniale overheid, de bakaä‑lanti.
In de loop van de geschiedenis is de politieke macht in Paramaribo deze erkenning, mede doordat de Gaanman en later ook de Kabiten en Basiya een toelage zijn gaan ontvangen, steeds meer gaan beschouwen als een formele ‘beëdiging’ van de Gaanman in zijn ambt. In de koloniale periode werd tijdens de erkenningsprocedure een eedsformule aan de Gaanman voorgelezen, waarbij hem werd voorgeschreven wat hij moest doen. Daarmee legde hij de eed van trouw af aan de Nederlandse kroon. Na de onafhankelijkheid van Suriname werd deze praktijk door de Surinaamse regering voortgezet, waardoor de Gaanman voortaan de eed van trouw aan de president moest afleggen.
Hierdoor wordt een Gaanman feitelijk tweemaal in een eed-procedure betrokken. Bij zijn aanstelling door zijn eigen volk heeft hij immers reeds, via ceremonies op zowel menselijk als spiritueel niveau, een zwaar plechtige eed afgelegd. Voor zijn erkenning door de staat moet hij vervolgens opnieuw een eed afleggen, ditmaal gebaseerd op westerse juridische en politieke normen.
Deze koloniale erfenis had in het onafhankelijke Suriname niet hoeven voortbestaan, indien de politieke machtsdragers zich grondiger hadden verdiept in de tradities van de Marron- en Inheemse gemeenschappen, tradities die niet gestoeld zijn op westerse concepten van legitimiteit en gezagsuitoefening.
De gezagdragers in het binnenland, die voorheen volledig zelfstandig waren en feitelijk een ‘aparte staat’ vormden, werden hierdoor ondergeschikt gemaakt aan de politieke macht in Paramaribo.
Vanaf de koloniale periode zijn er talloze pogingen gedaan om de Marronsamenlevingen bestuurlijke structuren op te leggen of personen die de voorkeur van de overheid genoten in gezagsfuncties te benoemen. Daarmee werd het traditionele gezag systematisch ondermijnd. De historische voorbeelden tonen onder meer:
- welke pogingen de overheid heeft ondernomen om het traditionele gezag van de Marrons te verzwakken;
- in welke moeilijke positie een Gaanman kan worden gebracht wanneer de nationale politieke macht zich mengt in het traditionele gezag zonder rekening te houden met de cultuur‑religieuze fundamenten waarop dit gezag berust;
- dat niet de traditionele gezagsstructuren de ontwikkeling van het binnenland belemmeren, zoals vaak wordt beweerd, maar de politieke onwil vanuit Paramaribo.
9. Casus 1. Fabi Labi versus Pamu Langabaiba
Bij de Okanisi Marrons probeerde de koloniale overheid tussen 1760 en 1766, na de vredesovereenkomst, tevergeefs gaanman Fabi Labi van de Dikan-lo af te zetten ten gunste van Pamu Langabaiba van de Otoö-lo. Deze pogingen komen duidelijk naar voren in koloniale propagandistische geschriften.
Louis Nepveu schreef in zijn Journaal van 1762, twee jaar na de vrede met de Okanisi Marrons, dat tijdens zijn bezoek aan de Okanisi, met het doel vrede met de Saamaka te bewerkstelligen, zou zijn gebleken dat Labi in april 1762 was afgezet ten gunste van Pamu. Hij stelde bovendien dat Pamu zou worden afgezet indien hij niet goed zou besturen (Scholtens 1994:164; De Beet & Price 1982:137–139; De Groot 1969:14).
Ook het Journaal van Vieira en Collerius (7 november – 2 december 1760) spreekt van “Pamu, die toen bekend stond als de opvolger van Labi” (ARA‑1, OAS, RvP, inv.nr. . 62).
Toch is, zoals Pakosie (1999:29) opmerkt, “bij geen enkele Okanisi‑historicus bekend dat gaanman Labi zou zijn afgezet, zoals archiefstukken vermelden”.
10. Casus 2. Papa Amakiti versus Yensa Kanapé
In het begin van de twintigste eeuw probeerde de koloniale overheid gaanman Papa Amakiti af te zetten en zijn neef Yensa Kanapé tot Gaanman te benoemen. Dit mislukte, omdat het volk achter Amakiti bleef staan.

Het koloniale bestuur maakte Amakiti echter het leven moeilijk. Bij zijn erkenning door het koloniale bestuur werd zijn toelage vastgesteld op slechts f 500 per jaar, de helft van die van zijn voorganger Oseïse. Een door de Okanisi Marrons geplande festiviteit in Albina ter verwelkoming van de nieuwe Gaanman werd door districtscommissaris S.E. Juta verboden (Scholtens 1994:75).
In zijn correspondentie beschreef Juta, Amakiti op uiterst negatieve wijze, onder meer als “een persoon van niets” en “geestelijk en lichamelijk gedemoraliseerd” (Scholtens 1994:75; Pakosie 1999:67).
Ook posthouder Willem van Lier beweerde dat Amakiti geen invloed had en niet in staat was het volk te leiden, terwijl Kanapé volgens hem wél geschikt was. Deze beweringen waren onjuist: Amakiti had daadwerkelijk gezag. Zijn bijnaam Amakiti ontstond uit de uitspraak van zijn onderdanen: “Gaanman Papa baa, Gaanman a makiti” — “Gaanman Papa, de Gaanman heeft macht” (Pakosie 1999:67).
De koloniale overheid benoemde da Kanapé vervolgens in een nieuw gecreëerde functie van ‘grootkapitein’ en plaatste hem naast Amakiti als bestuurder. Alleen met Kanapé wenste men zaken te doen.
11. Casus 3. Gazon Matodja versus Pengel en Asenfu
In 1964 overleed de toenmalige Gaanman van de Okanisi, Akontu Velantie. Conform traditie werd een rouwperiode van twaalf maanden in acht genomen. Tijdens deze periode wordt een notabele aangewezen om het gaanmanschap waar te nemen. Over de opvolging wordt in het openbaar niet gesproken; dit gebeurt achter de schermen.
Het is zelfs taboe om tijdens de rouwperiode over de wettige opvolger te spreken. Aan het einde van de rouwperiode komen alle gezagdragers bijeen op de residentie van de Gaanman voor de Boökode, de afsluitingsceremonie van de rouw. Deze ceremonie duurt een week, en ook dan blijft het onderwerp opvolging taboe.
Na de Boökode keren de notabelen terug naar hun dorpen. Vervolgens wordt een periode van ten minste drie maanden in acht genomen voordat een commissie van gezagdragers, Kabiten, Basiya en Obiyaman, de waarnemend Gaanman toestemming geeft om een Liba‑kuütu (volksvergadering) bijeen te roepen waarin de nieuwe Gaanman zal worden getroond.
De dorpshoofden die deel uitmaken van de Liba‑kuütu worden geïnformeerd over de datum en tegelijkertijd officieel op de hoogte gebracht van de naam van de nieuwe Gaanman.
De troonsbestijging van de Okanisi‑Gaanman vindt niet plaats op de residentie in Diitabiki, maar in het dorp Puketi, de Edekondee (hoofdstad) van de Okanisi Marronsamenleving.
Vanaf het overlijden van een Gaanman tot aan de kroning van zijn opvolger volgden de Okanisi Marrons in die periode strikt de voorschriften van de Sweli Gadu, het hoogste draagorakel van de gemeenschap. Geen enkele notabele zou in deze overgangsperiode op eigen initiatief handelen. Indien de nieuwe Gaanman iets zou overkomen, bijvoorbeeld wanneer hij slechts korte tijd in functie zou blijven, werd dit toegeschreven aan het niet naleven van de regels van de voorouders en de religieuze voorschriften. Men ging er dan van uit dat de nieuwe Gaanman niet de zegen had ontvangen van de goden, de voorouders en in het bijzonder van zijn overleden voorganger. Volgens de Okanisi Marrontraditie regeert de geest van de overleden Gaanman immers gedurende de gehele ambtsperiode van zijn opvolger. Daarom waren bij alle belangrijke beslissingen rond de kroning van een nieuwe Gaanman de richtlijnen van de geest van de voorganger doorslaggevend.
Met betrekking tot het conflict rond de opvolging van gaanman Akontu Velantie geldt het volgende. Toen de Okanisi Marrons in 1965 voorbereidingen troffen voor de ceremoniën ter afsluiting van de officiële rouwperiode, besloot de toenmalige Surinaamse premier Johan Adolf Pengel met een omvangrijke delegatie van binnen- en buitenlandse genodigden naar Diitabiki af te reizen. Het doel van deze reis was de installatie door hem van de nieuwe Gaanman van de Okanisi Marrons. Daarmee handelde Pengel in strijd met zowel de regels van de Okanisi Marrongemeenschap als die van de centrale overheid. Alleen het Okanisi Marronvolk is bevoegd zijn eigen Gaanman te kronen, en uitsluitend de gouverneur, destijds vertegenwoordiger van de Nederlandse Kroon, was bevoegd de Gaanman vervolgens officieel te erkennen. De interventie van premier Pengel veroorzaakte grote beroering en ontwrichtte de Okanisi Marronsamenleving.
Voor de beoogde nieuwe Gaanman, da Gazon Matodja, ontstond een ernstig dilemma. Erkenning door Paramaribo was noodzakelijk, omdat anders de toelagen en andere door de overheid verstrekte privileges aan de gezagdragers zouden kunnen vervallen. Daarnaast zou zonder de steun van de bakaä‑lanti (de overheid in Paramaribo) de verwachte ontwikkeling volgens westers model, die in het laatste regeringsjaar van gaanman Akontu Velantie was ingezet, geen voortgang kunnen vinden in het traditionele woongebied van de Okanisi Marrons. Deze ontwikkeling omvatte onder meer:
- de installatie in 1964 van een lichtaggregaat in het dorp van de Gaanman, waardoor voor het eerst elektriciteit beschikbaar kwam, zij het slechts van 18.00 tot 21.30 uur en afhankelijk van de beschikbaarheid van benzine;
- de bouw van een school met internaat aan de overzijde van Diitabiki; hoewel de school in gebruik werd genomen, is het internaat nooit geopend en door de overheid laten verloederen;
- de vestiging van een medische post door de Evangelische Broeder Gemeente (EBG).
Hoewel da Gazon Matodja als Gaanman de steun van Paramaribo nodig had, kon hij als lid van de Okanisi Marrongemeenschap, en vooral als toekomstig Benpenimaunsu, vertegenwoordiger van de oppergod, de goden en de voorouders, niet ingaan tegen de wetten van zijn gemeenschap, die gebaseerd zijn op het verbond tussen de voorouders en de goden. Voor hem was het daarom beter de straf van mensen te riskeren dan die van de onzichtbare machten. Hij weigerde zich door premier Pengel te laten kronen, omdat dit in strijd was met de traditie.
Opmerkelijk is dat de Nederlandse historicus dr. Silvia W. de Groot, die tot Pengels buitenlandse gasten behoorde, hem vooraf had gewaarschuwd dat hij rekening moest houden met de beslissing van de Sweli Gadu om zijn onderneming te laten slagen. Pengel zou daarop spottend hebben geantwoord: “Ik ben machtiger dan hun god.”
Toen Pengel, na meerdere vergeefse pogingen om met da Gazon Matodja te spreken, hem uiteindelijk ontmoette, vroeg da Gazon Matodja naar de reden van zijn bezoek. Pengel antwoordde: “Ik ben naar Diitabiki gekomen om de heer Gazon tot Gaanman te installeren.” Daarbij sprak hij da Gazon Matodja toe in het Nederlands, een taal die deze niet beheerste, terwijl Pengel normaal Sranan-tongo sprak, de lingua franca die da Gazon Matodja wel verstond. Da Gazon Matodja antwoordde: “Onder de Okanisi zijn er drie tot vier personen met de naam Gazon. Ik ben de Gazon van Diitabiki. Indien ik degene ben die u zoekt om tot Gaanman te kronen, kan ik u zeggen dat zolang de slotceremonieën van de rouwperiode van mijn oom, wijlen gaanman Akontu Velantie, niet volgens de geldende regels zijn voltooid, ik mij door niemand tot Gaanman laat kronen.” (Pakosie 1999:111).
Pengel keerde onverrichter zake terug naar Paramaribo. Hij moest ervaren dat bij de Okanisi Marrons politieke macht geen effect sorteert wanneer die in strijd is met de regels van hun voorouders en hun religie.
Pas maanden na de Boökode werd da Gazon Matodja in 1966 op de gebruikelijke wijze in Puketi tot Gaanman gekroond. Later dat jaar reisde hij naar Paramaribo voor de officiële erkenning door de bakaä‑lanti. Tussen Pengel en da Gazon Matodja is het nooit tot een vriendschappelijke relatie gekomen. In 1970 overleed Johan Adolf Pengel.
Omdat Pengel, anders dan bij gaanman Akontu Velantie, geen vriendschappelijke band met gaanman Gazon Matodja had, zette zijn partij, de N.P.S., diens jongere broer da Asenfu, een oom van gaanman Gazon Matodja, ertoe aan het gezag van de Gaanman te ondermijnen. De N.P.S. benoemde da Asenfu informeel tot ‘minister‑president’ van de Okanisi Marrons, naast de Gaanman. Hij ontving dezelfde privileges: een dienstboot, een buitenboordmotor, bootslieden en door de overheid bekostigd verblijf in Albina en Paramaribo tijdens zijn bezoeken. Hierdoor werd het functioneren van gaanman Gazon Matodja aanzienlijk bemoeilijkt. Uiteindelijk greep de Okanisi Marrongemeenschap zelf in en riep da Asenfu in december 1969 tijdens een vergadering in Diitabiki tot de orde.
12. Casus 4. Kofi Gbosuman versus Abraham Wetiwoyo
Bij de Saamaka Marrons zette het koloniale bestuur op 18 februari 1835 gaanman Kofi Gbosuman af ten gunste van zijn stiefzoon Abraham Wetiwoyo. De aanleiding hiervoor was dat gaanman Gbosuman weigerde personen, die zich na de vredesovereenkomst uit de slavernij hadden bevrijd en zich bij zijn gemeenschap hadden aangesloten, terug te sturen naar hun vroegere staat van slavernij. Deze weigering was terecht vanuit het perspectief van de Saamaka Marron‑normen, maar werd door het koloniale bestuur niet geaccepteerd.
Gaanman Agbago Aboikoni vertelde mij in een gesprek dat gaanman Abini van de Matyau‑lo trouwde met ma Akuumi van de Awana‑lo en met haar zeven kinderen kreeg, onder wie taata Alabi Palantó. Hiermee volgt gaanman Agbago Aboikoni een andere lijn dan de geschreven geschiedschrijving. Zowel Otniel (Ottie) Jozefzoon (1951:15) als Richard Price (1990:413) spreken namelijk van Alabi Pantó, terwijl gaanman Agbago Aboikoni nadrukkelijk verwees naar Alabi Palantó.
Na het overlijden van gaanman Abini hadden de Saamaka Marrons gedurende enige tijd geen Gaanman. Uiteindelijk werd de toenmalige leider van de Nasi‑lo, taata Kwaku Etya, benoemd tot Gaanman. Hij bekleedde het ambt van 1775 tot 1783 (Scholtens e.a., 1992:125). De Nasi‑lo is een andere lo dan de Matyau‑lo.
Na de dood van gaanman Kwaku Etya in 1783 (Scholtens e.a., 1992:126) werd Alabi Palantó van de Awana‑lo, zoon van de vroegere Matyau‑gaanman Abini, benoemd tot Gaanman van de Saamaka Marrons. Alabi Palantó bekeerde zich tot het christendom en diende als Gaanman van 1783 tot 1820 (Scholtens e.a., 1992:126). Zijn christelijke overtuiging binnen een grotendeels niet‑christelijke gemeenschap leidde tot spanningen. Een vergelijkbare situatie deed zich in 1895 voor bij de christelijke Gaanman van de Matawai, Johannes King, die zijn christen‑zijn niet verenigbaar achtte met het gaanmanschap en het ambt in 1896 teruggaf aan zijn volk.
Na het overlijden van gaanman Alabi Palantó zorgde de geest van ma Yaya Dandé, zustersdochter van taata Lanu en taata Ayako, ervoor dat het gaanmanschap terugkeerde naar de Matyau‑lo. Mama Yaya Dandé leefde van 1684 tot 1782 (Price, 1990:10). In 1821 werd taata Gbagidi Gbago van de Matyau-lo benoemd tot Gaanman (Scholtens e.a., 1990:126), maar hij overleed in hetzelfde jaar, nog vóór zijn erkenning door het koloniale bestuur. Hij werd opgevolgd door taata Kofi Bosuman, ook wel Kofi Gbosuman genoemd, afkomstig uit de Nasi‑lo. Taata Kofi Gbosuman was Gaanman van 1822 tot 1835 (Scholtens e.a., 1992:127). Hij was een kleinzoon van de zuster van taata Kwaku Etya, de vroegere Nasi‑lo‑gaanman.
Taata Kofi Gbosuman was gehuwd met een vrouw genaamd ma Yaya uit de Matyau‑lo (niet te verwarren met ma Yaya Dandé), die fungeerde als medium van een belangrijke Ampuku‑godheid, Saa. Uit een eerder huwelijk van ma Yaya met taata Sabi was een zoon geboren: Abaän (Abraham) Wetiwoyo. Door haar huwelijk met taata Kofi Gbosuman werd deze de stiefvader van Abraham Wetiwoyo.
Na het plotselinge overlijden van gaanman Gbagidi Gbago bevonden zich binnen de Matyau‑lo geen volwassen mannen die het gaanmanschap konden overnemen. De aangewezen opvolger was Abraham Wetiwoyo, maar hij was op dat moment nog te jong om het ambt te bekleden. Ma Yaya speelde daarom een cruciale rol in de overgang van het gaanmanschap: zij zorgde ervoor dat het ambt werd overgedragen aan haar echtgenoot, taata Kofi Gbosuman van de Nasi‑lo. Zowel ma Yaya, haar echtgenoot taata Kofi Gbosuman als diens familie hadden daarbij hun eigen belangen. Ma Yaya bewerkstelligde de benoeming van haar man tot Gaanman met de bedoeling dat hij na zijn overlijden zou worden opgevolgd door haar zoon, Abraham Wetiwoyo, een Matyau, die tegen die tijd de volwassen leeftijd zou hebben bereikt.
De familie van taata Kofi Gbosuman, de Nasi‑lo, ging ervan uit dat met zijn benoeming het gaanmanschap definitief naar hun Lo was teruggekeerd. Volgens gaanman Agbago Aboikoni was taata Kofi Gbosuman bovendien de eerste Saamaka Marron‑Gaanman die van het koloniale bestuur een uniform ontving (interview Silvia de Groot, 1971; interview Pakosie, 1977).
Een tragische gebeurtenis in de loopbaan van taata Kofi Gbosuman zou er echter toe leiden dat het gaanmanschap op ongebruikelijke wijze terugkeerde naar de Matyau‑lo, in de persoon van zijn stiefzoon Abraham Wetiwoyo. Gaanman Kofi Gbosuman weigerde namelijk terecht om tot slaaf gemaakte mensen die van de plantages waren gevlucht en zich bij de Saamaka Marrons hadden aangesloten, uit te leveren aan de slavendrijvers, zoals was overeengekomen in het vredesverdrag van 19 september 1762. Het koloniale bestuur wist daarop de meerderheid van de Saamaka Marron‑gezagsdragers achter zich te krijgen en zette samen met hen gaanman Kofi Gbosuman af. Op 18 februari 1835 (Oudschans Dentz, 1948:37; Scholtens e.a., 1992:166) werd hij officieel afgezet tijdens een speciale vergadering met zeventig Saamaka Marron dorpshoofden en burgers. Drie dagen eerder, op 15 februari, was reeds besloten dat Abraham Wetiwoyo zijn opvolger zou worden (Oudschans Dentz, 1948:37). Een jaar later, in 1836, overleed taata Kofi Gbosuman.
In de afzettingsprocedure speelde zijn stiefzoon Abraham Wetiwoyo een bijzonder kwalijke rol (zie Oudschans Dentz, 1948:33‑43). Dit leidde, overeenkomstig de Marrontraditie, tot het ontstaan van een Kunu, de Gbosuman-Kunu, binnen de Matyau‑lo. Kunu is een erfvloek die een familie treft wanneer een familielid een handeling (Mekunu) verricht die een ander ernstige schade berokkent en uiteindelijk diens dood veroorzaakt (Pakosie, 1991:17). Een Kunu volgt de matrilineaire lijn van de dader. In dit geval trof de Gbosuman-Kunu de moederlijn van Abraham Wetiwoyo, de Matyau‑lo. Hierdoor kwam de Matyau‑lo in een afhankelijke positie ten opzichte van de Nasi‑lo van taata Kofi Gbosuman. Volgens gaanman Agbago Aboikoni moet elke nieuwe Matyau‑Gaanman zich wenden tot de Nasi‑lo voor verzoening met de Gbosuman-Kunu.
Met de benoeming van Wetiwoyo keerde het gaanmanschap terug naar de Matyau‑lo. Wetiwoyo bekleedde het ambt van 1835 tot 1867 (Scholtens e.a., 1992:127).
13. Casus 5. Muana Dyankuso
Ondanks drie herhaalde oproepen van de politieke autoriteiten in Paramaribo was de Saamaka Marron gaanman Muana Dyankuso in 1924 niet in staat naar Paramaribo af te reizen voor besprekingen. Dit had te maken met religieuze verplichtingen die verband hielden met de Gbosuman‑Kunu, een vloek die op zijn familie rustte. Voor de Marrons gaan verplichtingen jegens de Kunu boven alles. Indien gaanman Dyankuso deze verplichtingen had genegeerd om gehoor te geven aan de oproepen, zou dit volgens de religieuze opvattingen niet alleen zijn eigen ondergang, maar ook die van zijn gehele familie kunnen betekenen. Het betrof dus geen onwil, maar onmacht.
Paramaribo weigerde dit echter te erkennen en bestempelde zijn afwezigheid als een weigering. Volgens de koloniale autoriteiten zou gaanman Dyankuso hiermee het vernieuwde vredesverdrag van 1835 hebben geschonden. Als strafmaatregel liet de overheid militairen de toegangsrivier naar het Saamaka Marrongebied blokkeren. Een vertegenwoordiger van de koloniale overheid, de heer Junker, trachtte bovendien enkele Kabiten tegen de Gaanman op te zetten en een verdeel‑en‑heerspolitiek te voeren. Hij schreef hierover zelf: “Slechts de toepassing van verdeel en heersch zou mij het gewenschte resultaat verzekeren.”

In maart 1924 arriveerde gaanman Muana Dyankuso uiteindelijk in Paramaribo, waar hij van het koloniale bestuur te horen kreeg dat men had besloten het traditionele woongebied van de Gaanman in drie delen op te splitsen. Met andere woorden: zijn gezag werd ingeperkt. In zijn reactie stelde gaanman Dyankuso: “Wij zijn hier gekomen om te luisteren naar de wetten die de witten maken voor ons, over ons, zonder ons”. De koloniale overheid bleek echter niet in staat deze afkeuring te begrijpen.

Ook na de onafhankelijkheid in 1975 benoemden politici in het machtscentrum, uit puur partijpolitiek belang, personen in de Marronsamenlevingen tot Kabiten en Edekabiten, zonder rekening te houden met het feit dat iemand slechts in een gezagsfunctie kan worden benoemd wanneer hij eerst, op basis van ethische normen, gezag heeft verworven door zijn kwaliteiten en zijn functioneren binnen de eigen gemeenschap. Omdat deze politieke benoemingen niet op traditionele grondslagen berusten, missen de betrokken personen vaak gezag en ontzag.
Het is duidelijk dat opgelegde structuren binnen de Marronsamenlevingen nooit goed hebben gefunctioneerd, maar zij hebben wel bijgedragen aan de verzwakking van de traditionele gezagsstructuren.
14. De politieke onwil van Paramaribo is de oorzaak van de belemmering van de ontwikkeling van het binnenland
Het traditionele gezag is sinds 1975 nog steeds niet grondwettelijk erkend. Er bestaat slechts een gedoogsituatie, waarin het traditionele gezag kwetsbaar is en gemakkelijk kan worden gemanipuleerd.
In 1980 namen enkele sergeanten onder leiding van Dési Bouterse via een gewapende coup de politieke macht in Paramaribo over. Het militaire regime trachtte het traditionele gezag af te schaffen. In 1981 presenteerde het de nota Aanzet tot een nieuw beleid inzake het Binnenland. In 1982 werd deze nota opgenomen als bijlage 1 in de Beleidsnota van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Justitie. Daarin staat onder meer: “Er zal gestaag aan de afbouw van de bestaande structuren moeten worden gewerkt om tegelijkertijd met grote omzichtigheid moderne structuren te introduceren.”
Volgens de samenstellers van de nota zouden de traditionele structuren de ontwikkeling van het binnenland belemmeren en slechts van belang zijn voor wetenschappers. De nota adviseerde om de dignitarissen van het binnenland onder te brengen in een stichting. Dit zou enerzijds hun rechtspositie kunnen verbeteren en anderzijds een duidelijke taakomschrijving mogelijk maken. De Gaanman moesten vervolgens zelf beslissen of zij al dan niet binnen deze stichting werkzaam wilden zijn.
Daarnaast trachtte het militaire regime in de woongebieden van Marrons en Inheemsen zogenoemde volkscomités en volksmilities op te richten, feitelijke machtsbolwerken naast de traditionele gezagdragers. Tijdens een congres van politie en brandweer verklaarde Ramon de Freitas, die een voordracht hield over ‘de behandeling van strafzaken in het binnenland’, dat de verdragen waaraan de Marrons hun autonomie ontlenen, verouderd en achterhaald zouden zijn. Volgens hem waren deze verdragen bovendien ten onrechte tot stand gekomen. “De Marrons dienen zich,” aldus De Freitas, “door de staatsgreep van februari 1980 ook te onderwerpen aan het nieuwe gezag (lees: de militaire macht AP), een gezag dat de absolute controle heeft over het grondgebied van Suriname.”
De Freitas stelde verder: “Een toegeeflijke houding tegenover de ordehandhavers zou het gezag van Paramaribo (lees: het militaire regime) in het binnenland verzwakken. Slechts een ferme houding tegenover deze lieden in hun woongebieden levert succes op. Om deze reden moet op elke residentie van een gaanman een politie- en een militaire post komen.” (Pakosie 1999:145–146).
De nota waarin deze ideeën werden uitgewerkt, is op geen enkel moment met het traditionele gezag besproken. Zij kwam voort uit de pen van ambtenaren in Paramaribo, handelend in opdracht van het militaire regime. De nota was in essentie een poging tot een geleidelijke, zo niet abrupte afschaffing van het traditionele gezag in het binnenland.
De bewering van machthebbers dat de traditionele structuren, en in het bijzonder het traditionele gezag van Marrons en Inheemsen, de ontwikkeling van hun woongebieden zouden belemmeren, is ongegrond. Hoe kan een structuur immers een ontwikkeling tegenhouden die nooit tot stand is gebracht? Welke traditionele structuren zouden bijvoorbeeld de komst van kwalitatief goed onderwijs of adequate gezondheidszorg in het binnenland verhinderen?
De gezagsdragers hebben herhaaldelijk aangedrongen op de bouw van meer en betere scholen en op de inrichting van degelijke gezondheidszorgvoorzieningen. Toch ontbreken tot op heden voldoende kwalitatieve onderwijs- en gezondheidszorgfaciliteiten in de woongebieden van Marrons en Inheemsen. De weinige scholen die er bestaan, voldoen niet aan de Surinaamse onderwijsnormen en bieden kinderen in het binnenland onderwijs van inferieure kwaliteit.
Een ander opmerkelijk punt in de nota van het militaire regime is de stelling dat “de discriminatie van wakaman en de vrouw in het binnenland moet worden opgeheven.” Deze uitspraak toont aan dat de samenstellers onvoldoende inzicht hadden in de sociale structuren van de binnenlandse gemeenschappen, met name die van de Marrons. Wakaman zijn gasten, waaronder ook Konlibi (aangetrouwden). Er is nooit sprake geweest van discriminatie van wakaman of van vrouwen. Binnenlandse gemeenschappen ontvangen gasten, ook die uit Paramaribo, nog steeds hartelijk en bieden hen vaak gratis onderdak. Het omgekeerde is niet het geval.
Aangetrouwden in Marronsamenlevingen mogen vrij gebruikmaken van de erfgoederen van de familie waarin zij zijn aangetrouwd, zolang zij deel uitmaken van die familie.
Wat betreft de vermeende vrouwendiscriminatie: wie vanuit de zogenoemde geciviliseerde samenleving van Paramaribo niet bereid is een gemeenschap van binnenuit te leren kennen, maar toch meent daarover te kunnen oordelen, loopt een groot risico verkeerde conclusies te trekken. Dat is het geval bij degenen die beweren dat er sprake is van vrouwendiscriminatie bij de Marrons, zoals de samenstellers van de nota. Marronsamenlevingen zijn gebaseerd op een matrilineair stelsel, waarin kinderen worden gerekend tot de moederlijn, waarop ook het erfrecht is gebaseerd.
Eeuwen voordat vrouwen in Paramaribo belangrijke functies mochten bekleden, was dat in de Marronsamenlevingen al gebruikelijk. Vanaf het ontstaan van de Marrongemeenschappen vervullen vrouwen belangrijke rollen. Zij bekleden van oudsher gezaghebbende posities in zowel het religieuze domein (als priesteressen) als in het bestuurlijke domein (als umanbasiya), naar wie de gemeenschap luistert. Sinds 1994 worden vrouwen bovendien benoemd tot kabiten. Pas vanaf 1980 kregen vrouwen in Paramaribo de mogelijkheid om bestuurlijke functies te bekleden, zoals die van minister, districtscommissaris of bestuursopzichter.
Het traditionele Marrongezag is een bestuursvorm die in essentie berust op gezag dat wordt verworven op basis van ethische normen, achtenswaardige kwaliteiten en bewezen functionaliteit binnen de eigen gemeenschap. Alleen al om die reden zou de regering het traditionele gezag moeten ondersteunen. Dat het gezag van traditionele bestuurders tegenwoordig afneemt, is mede het gevolg van de verwerpelijke handelingen van personen binnen de politiek‑economische machtscentra van Suriname en Frans‑Guyana. Daarnaast speelt mee dat een aanzienlijk deel van de huidige generatie Marrons de eigen cultuur loslaat en ongewenste gedragingen van niet‑Marrons kritiekloos overneemt.
Verder moet worden benadrukt dat traditionele gezagdragers bestuurders en ordehandhavers zijn binnen hun gemeenschap, maar géén ontwikkelingswerkers. Juist daarom zou de regering mogelijkheden moeten scheppen om, naast de traditionele bestuurders en ordehandhavers, ontwikkelingswerkers in te zetten voor de ontwikkeling van de woongebieden in het binnenland. Tot op heden is dat echter nooit gebeurd.
Tussen 1975 en 1977 verspilde de politieke leiding in Paramaribo twee miljard Nederlandse gulden, het bedrag dat Suriname bij de onafhankelijkheid van Nederland ontving als ‘gouden handdruk’, aan het West‑Surinameproject. De regering trachtte in een onbewoond gebied ontwikkeling te stimuleren door er een nieuwe stad te bouwen. De delen van het binnenland waar wél mensen wonen, worden door dezelfde regering nog steeds aangeduid als ‘het verre Binnenland’. Voor Paramaribo ligt het binnenland te ver weg en is het te moeilijk bereikbaar om er daadwerkelijk ontwikkeling tot stand te brengen. Maar het blijkt niet te ver om de natuurlijke rijkdommen uit het binnenland te exploiteren of te laten exploiteren, waarbij de opbrengsten uitsluitend ten goede komen aan een kleine groep in het kustgebied.
Zoals eerder aangegeven neemt het gezag van de Gaanman en andere traditionele gezagsdragers af. Toch mag niet worden vergeten dat bijvoorbeeld de Okanisi hun Gaanman nog steeds beschouwen als Kusumanpa, de beschermer van het volk, voor wie zij respect en ontzag koesteren. In 1990, toen de binnenlandse oorlog tussen het Surinaamse leger onder leiding van Dési Bouterse en het Jungle Commando (J.C.) van Ronnie Brunswijk, voornamelijk bestaande uit Marronjongeren, een hoogtepunt bereikte, richtte Bouterse zich in een videoboodschap tot gaanman Gazon Matodja van de Okanisi‑Marrons met het verzoek zijn gezag als traditioneel leider aan te wenden om het Jungle Commando tot stoppen te bewegen. Gaanman Gazon Matodja ontbood daarop de leider van het J.C., Ronnie Brunswijk, en maande hem de strijd te staken, wat vervolgens ook gebeurde.
Tijdens de daaropvolgende vredesbespreking in Paramaribo, waarbij gaanman Gazon Matodja, enkele andere Marron‑gezagsdragers, de leiding van het J.C., president Ramsewak Shankar en Dési Bouterse als bevelhebber van het Nationaal Leger aanwezig waren, liet Bouterse de leiding van het J.C. arresteren en werden twee leden van het commando gedood. Niet de Gaanman, maar de president bleek niet in staat zijn gezag te doen gelden: hij kon niet verhinderen dat zijn ondergeschikte, bevelhebber Bouterse, zijn gasten liet doden.
In 1992 reisde een delegatie van Gaanman naar Nederland op uitnodiging van het door Marrons en Inheemsen opgerichte Comité ter Ondersteuning van de Ontwikkeling van het Binnenland (C.O.O.B.), waarvan ik voorzitter was, en dat werd ondersteund door deskundigen uit diverse vakgebieden. Het doel van deze reis was het bespreken van de situatie in het binnenland en het zoeken naar mogelijkheden voor ontwikkeling. De nota Uitgangspunten voor beleid en ontwikkeling Binnenland van Suriname, opgesteld door het C.O.O.B. in opdracht van de Gaanman, diende hierbij als basis. In oktober 1992 boden de Gaanman deze nota ook aan de president van Suriname aan, in de hoop dat de regering deze als uitgangspunt zou nemen voor het beleid inzake de ontwikkeling van het binnenland. Een stafambtenaar van het ministerie van Regionale Ontwikkeling, de heer O. Kemble, die verantwoordelijk was voor de ontwikkeling van het binnenland, ontving eveneens een exemplaar uit handen van mij als voorzitter van het C.O.O.B. Kemble liet duidelijk blijken dat Paramaribo niet bereid was mee te werken aan de ontwikkeling van het binnenland, zelfs niet wanneer de initiatieven afkomstig waren van de binnenlandbewoners zelf. Tot op heden is er nog steeds niets ondernomen om de duurzame ontwikkeling van het binnenland te bevorderen.
15. Conclusie
Als kind uit het binnenland van Suriname en als Marron-historiocus kom ik tot de volgende conclusies:
- De politieke macht in Paramaribo heeft vanaf de koloniale periode tot heden systematisch, en met ontoelaatbare middelen zoals verdeel‑en‑heerspolitiek, het traditionele gezag ondermijnd.
- De politieke onwil van Paramaribo is de voornaamste reden waarom het binnenland niet tot ontwikkeling komt, niet de traditionele gezagsstructuur.
- Ondanks externe manipulaties behield het traditionele Marrongezag lange tijd zijn autoriteit. Vanaf het einde van de jaren vijftig trad echter verandering op: het isolement van de Marronsamenleving werd doorbroken, onderwijs en moderne technologie deden hun intrede, en steeds meer Marrons vestigen zich permanent in Paramaribo, het kustgebied en later in het buitenland. De vroegere sociale cohesie maakte geleidelijk plaats voor een individualistische levenswijze, een proces dat werd versneld door de Bouterse‑Brunswijkoorlog.
- Het traditionele bestuur wordt geconfronteerd met nieuwe omstandigheden en gedragsvormen waarvoor het niet is toegerust, wat bijdraagt aan een verdere afname van het gezag. In twee Marrongemeenschappen heeft zich zelfs de situatie voorgedaan dat er gelijktijdig twee Gaanman voor dezelfde gemeenschap optraden: van 1992 tot 2014 bij de Aluku‑Marrons en sinds 2018 ook bij de Saamaka‑Marrons. Dit verschijnsel kan zich in de toekomst eveneens voordoen bij andere Marrongemeenschappen, indien zij geen lering trekken uit deze ontwikkelingen.
- Het traditionele gezag heeft echter nog steeds toekomst en bestaansrecht. Marrons, vooral degenen die in de traditionele woongebieden leven, doen nog steeds een beroep op dit gezag en ontlenen er in belangrijke mate hun identiteit aan.
16. Aanbevelingen
Het traditionele gezag is gebaseerd op een normen‑ en waardensysteem dat eigen is aan de Marrons. Zolang Marrons hieraan vasthouden en hun identiteit eraan ontlenen, zal elke poging van buitenaf om dit systeem te veranderen of te ondermijnen, slechts leiden tot weerstand en chaos. Tegelijkertijd moeten Marrons beseffen dat de huidige tijd nieuwe eisen stelt aan bestuurders. Willen wij het traditionele gezag behouden als een gerespecteerde institutie waarmee nationale en internationale politiek rekening moet houden, bijvoorbeeld inzake grondenrechten en de sociaal‑economische ontwikkeling van het binnenland, dan zijn de volgende maatregelen noodzakelijk:
- Het vastleggen van de rechtspositie van het traditionele gezag;
- Het afbakenen van bevoegdheden, verantwoordelijkheden en taken van het traditionele gezag;
- Het instellen van een gemengd overlegorgaan tussen centrale overheid en traditioneel gezag;
- Het beëindigen van benoemingen uitsluitend op basis van erfelijk opvolgingsrecht; ook hedendaagse kwaliteitscriteria moeten worden meegewogen;
- Als overgangsmaatregel dient elke Marron‑ en Inheemse gemeenschap te beschikken over een orgaan dat de ontwikkeling van de traditionele leefgebieden bevordert. Dit orgaan moet voornamelijk bestaan uit goed opgeleide Marrons en Inheemsen.
17. Bibliografie
Beet, C. de, en R. Price De Saramakaanse Vrede van 1762. Geselecteerde documenten. BSB 8. 1982 Utrecht. ICAU. (1982)
Groot, S.W. de, Djuka Society and Social Change. History of an attempt to develop a Bush Negro community in Surinam 1917-1926, Assen. Van Gorcum & Co. (1969).
Ministerie van
Binnenlandse Zaken
en Justitie (Suriname) Beleidsnota van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Justitie, Directoraat Districtsbestuur. Paramaribo (1982)
Pakosie, A.R.M.; Gazon Matodja, Surinaams stamhoofd aan het einde van een tijdperk. 1999 Stichting Sabanapeti, 1999, Utrecht
Pakosie, A.R.M.; Toponiemen, Hydroniemen en Oroniemen betreffende het stamgebied van de Ndyuka in zuid-oost Suriname. In: Siboga, jrg. 6, nr. 1, 1996
Pakosie, A.R.M.; Maroon leadership and the Surinamese state (1760-1990). In: Journal of Legal Pluralism and Unofficial Law, No. 37-38/1996, special double issue, page 263-277. University of Birmingham, United Kingdom. (1996)
Pakosie, A.R.M.; Addres by Mr. André R.M. Pakosie, to the Conference on the contribution of traditional authorities to development, democracy, human rights and environmental protections: Strategies for Africa. National House of Chiefs (Kumasi), september, 6, 1994.
Scholtens, Ben Bosnegers en overheid in Suriname. De ontwikkeling van de politieke verhouding 1651-1992. Afdeling Cultuur-studies/ Minov, Paramaribo. (1994)
[1] Andre R.M. Pakosie. Geboren in 1955 te Diitabiki in het Tapanahoni gebied (binnenland van Suriname). Natuurgenees-kundige, fytotherapeut (volgens de traditie van de Marrons uit het tropisch regenwoud van Suriname), Marronhistoricus, schrijver, dichter, hoofdredacteur van Siboga (het tijdschrift voor Marron cultuur en geschiedenis), voorzitter van het Marroninstituut Stichting Sabanapeti, documentaire maker, sinds 1993 Edebukuman (hoofd van de kenners van het Afáka syllabeschrift), grondlegger (in 1974) van de Dag van de Marrons. Debuteerde als schrijver in 1972 op 17-jarige leeftijd met het boek: “De dood van Boni, schrijft proza en poëzie. Naast eigen publicaties, publiceerde hij ook in gerenommeerde tijdschriften zoals, ‘The Journal of Legal Pluralisme and Unofficial Law’ (University of Birmingham, Engeland), De Gids, NWIG (New West Indian Guide/Nieuwe West-Indische Gids), OSO (Tijdschrift voor Surinaamse taalkunde, letterkunde en geschiedenis) en BSS (Bronnen voor de Studie van Suriname). Gespecialiseerd in de cultuur en geschiedenis van de Marrons.
GAANMAN JOZEF ABUNÄWOÖKO
(Gaanman van de Pamaka Marrons van 1924-1947)
Door: André R.M. Pakosie
Nadat hij de reis naar de voorouders aanvaardde, werd gaanman Kwaku Petrus Apensa (van de Antoösi-lo) opgevolgd door zijn jongere neef Jozef Abunäwoöko (lees: Abuäwoöko) als Gaanman van de Pamaka Marrons.

Da Abunäwoöko is zoon van ma Amusendye, een jongere zus van gaanman Apensa. Gaanman Cornelis Forster vertelde mij in 1974 dat gaanman Apensa nog twee andere zusters en een jongere broer had: ma Afó, ma Yubesiënso (ook Abesiënso genoemd) en da Soli. Ma Amusendye is de grootmoeder van gaanman Cornelis Forster.
Da Jozef Abunäwoöko werd in plusminus 1924 door zijn volk aangesteld als Gaanman, maar is pas in 1931 (Morssink, 1934:4; Scholtens, 1994:59), door het koloniale bestuur erkend. De reden hiertoe was een ontstane machtsstrijd onder de Pamaka Marrons over de opvolging van gaanman Apensa. Deze machtsstrijd greep het koloniale bestuur aan om de eigen koloniale denkbeelden uit te voeren. Het koloniale bestuur gebruikte de ontstane situatie als aanleiding om tot ‘uitgebreide beschouwingen aangaande eventuele wijzigingen in het bestuur van deze Marrongemeenschap’ over te gaan.
De toenmalige districtscommissaris, J. Weyne, dreigde zelfs om politie of militairen naar het woongebied van de Pamaka Marrons te sturen. Weyne schreef ook een nota aan zijn superieuren in Paramaribo, waarin hij gaanman Jozef Abunäwoöko afkraakte: “Aboenna Wroko is een oude sukkel, en bepaald noodzakelijk lijkt mij zoo’n hoofd niet; daar er toch geen kracht van hem uitgaat.” (Scholtens, 1994:93).
Een kanttekening bij dit schrijven luidt: “Evenals zijn voorganger Apensa een sukkel”.
Ook Willem Frederik van Lier, die als posthouder, of beter gezegd als spion bij de Okanisi Marrons was aangesteld, schrijft in 1924 een brief aan de Gouvernement Secretaris waarin hij aangeeft dat er naar zijn mening geen nieuwe Gaanman voor de Pamaka benoemd hoefde te worden. Volgens hem hadden de Pamaka in Apensa slechts een Gaanman in naam gehad. Van Lier schrijft dat de stokoude Apensa “had gansch geen, gezag over zijne onderhoorigen. Zijne bevelen voor zoover hij bevelen gaf, werden nooit, zelfs niet door zijn eigen kinderen gehoorzaamd.” Verder schrijft Van Lier: “Mij lijkt voorziening in deze vacature niet alleen overbodig doch zelfs ongewenscht, omdat m.i. geen gelegenheid onbenut mag gelaten worden om de Boschnegers direct onder ’s Bestuur’s gezag te brengen en hunne z.g. hoofden uit te schakelen, wanneer dit niet storend werkt op den goeden gang van zaken” (Scholtens, 1994:93).
De toenmalige gouverneur, Mr. Arnoud Jan Anne Aleid Baron van Heemstra (1920-1928), nam uiteindelijk het besluit om de erkenning van da Abunäwoöko als Gaanman van de Pamaka Marrons aan te houden. Pas toen Van Heemstra opgevolgd werd door Dr. Abraham Arnold Lodewijk Rutgers (1928-1933) als gouverneur van Suriname, vond in 1930 de erkenning plaats van da Abunäwoöko. Echter niet als Gaanman, maar als ‘hoofdkapitein’ van de Pamaka, wat totaal verkeerd was. Christiaan Forster (de oudere broer van gaanman Cornelis Forster) vertelde mij in 1972 dat er op 20 en 21 maart 1930 te Langatabiki (de residentie van de Gaanman van de Pamaka Marrons) een Gaánkuütu (volksberaad) plaats vond over deze kwestie. De uitkomst van de Gaánkuütu leidde ertoe dat de Pamaka het koloniale bestuur het verzoek deden om da Jozef Abunäwoöko als hun Gaanman te erkennen en niet als hun ‘hoofdkapitein’.
In juli 1931 (Morssink, 1934:4) werd da Abunäwoöko eindelijk door het koloniale bestuur als Gaanman van de Pamaka Marrons erkend. Hij kreeg een jaarlijks honorarium van 300 gulden. Gouverneur Rutgers schreef aan de districtscommissaris van Marowijne het volgende: “Het argument dat het tijd wordt en noodig is hen onder direct bestuur te brengen, onderschrijf ik niet. Wel ben ik van mening dat ook zij meer en meer onder de werking onzer wetten gebracht moeten worden, maar onder hun eigen hoofd. Nog voor langen tijd zullen de boschnegers het best onder hun eigen hoofden gelaten kunnen worden ” (Scholtens, 1994:93; Resoluties 5 november 1930, No. 3940 en 14 maart 1931, No. 892; Pakosie, 2011:20).
In de ogen van de koloniale bestuurders en van de Evangelische Broedergemeente (E.B.G.), bleef da Abunäwoöko ongeschikt voor het gaanmanschap. Namens de E.B.G. schreef de heer H.G. Steinberg in een nota dat Abunäwoöko niet voldeed als Gaanman en dat tijdens een bijeenkomst van de Pamaka zij voorgesteld zouden hebben om zijn neef da Asente, die volgens de E.B.G. reeds door Apensa zou zijn aangewezen als diens opvolger, naast hem als ‘hoofdkapitein’ aan te stellen (Scholtens, 1994:93). Diezelfde hinderlijke interventie in de bestuursaangelegenheid van een Marrongemeenschap heeft het koloniale bestuur ook uitgehaald bij de Okanisi Marrons. Tijdens het gaanmanschap van gaanman Papa Amakiti werd op aandrang van posthouder Willem van Lier, da Yensa Kanapé (neef van gaanman Amakiti) door het koloniale bestuur aangesteld als ‘Grootkapitein’ en medebestuurder naast gaanman Amakiti. Wat uiteraard heel veel spanning teweeg heeft gebracht tussen de twee neven.
De Gaanman van de Pamaka Marrons, Jozef Abunäwoöko, beleed het evangelische broedergemeente (E.B.G.) geloof, en zijn neef da Asente het rooms-katholieke (R.K.) geloof. De E.B.G.-zending en de R.K.-missie voerden in die tijd een hevige strijd met elkaar om de bekering van de Pamaka Marrons tot het christendom. Deze strijd begon al toen de Pamaka zich nog schuilhielden in de Pamakakiïki. Volgens Kappler (Morssink, 1934:4) bracht Pere Krämer S.J. in de zestiger jaren van de negentiende eeuw twee maanden door bij de Pamaka. Volgens mededeling van gaanman Abunäwoöko aan de rooms-katholieke pater Morssink op 5 maart 1932 kon gaanman Abunäwoöko zich dit verblijf van de Franse pater nog goed herinneren. De twee kerkgenootschappen, de E.B.G. en de R.K., bemoeiden zich toen ook hinderlijk in de bestuursaangelegenheid van de Pamaka Marrons.
Tijdens het gaanmanschap van da Abunäwoöko was er ook voortdurend spanning tussen hem en het koloniale bestuur. Steeds moest hij aanhoren dat hij niet deugde als Gaanman. En de toenmalige gouverneur Prof. Mr. Johannes Coenraad Kielstra, was zelfs zo brutaal om in zijn brief van 26 februari 1940 gaanman Abunäwoöko met afzetting te bedreigen (Scholtens, 1994:93-94; CAP, Resolutie 26 februari 1940, No. 591, inclusief de 16pg tellende missive van K. Raue aan de gouverneur, 5 januari 1940, No. 33 en de Nota van de Gouvernement Secretaris, 1940, No. 136; Pakosie 2011:20,21). Dit is een brutaliteit ten top.
Gaanman Jozef Abunäwoöko aanvaardde in 1947 de reis naar de voorouders, in hetzelfde jaar dat zijn Okanisi ambtgenoot, gaanman Pai Amatodya, en zijn Matawai ambtgenoot, gaanman Asaf Kine, ook de reis naar de voorouders aanvaardden. In 1949 aanvaardde ook gaanman Binoutu Antoni Abaliki Atudendu van de Saamaka Marrons de reis naar de voorouders. In 1950 werd gaanman Amatodya van de Okanisi opgevolgd door zijn neef Akontu Velantie, gaanman Atudendu van de Saamaka door zijn neef Jozef Daniel Agbago Aboikoni, gaanman Asaf Kine van de Matawai door zijn neef Johan Alfred Aboné Lafanti en gaanman Abunäwoöko van de Pamaka, door zijn neef Cornelis Zacharias Forster.
REFERENTIES EN BIBLIOGRAFIE
Dit artikel is gebaseerd op orale overleveringen en op archiefmateriaal.
REFERENTIES:
De orale overleveringen waarop dit artikel (mede) is gebaseerd, zijn mij (in tal van gesprekken die ik tussen 1970 en 2011 met hen voerde) aan mij overgedragen door:
- Gaanman Cornelis Zacharias Forster (Antoosi-lo) van de Pamaka Marrons
- Gaanman Jan Levi (Antoosi-lo) van de Pamaka Marrons
- Edekabiten Sepina (Antoosi-lo) van de Pamaka Marrons
- Edekabiten Atyode Markus Akilingi Kamili (Antoosi-lo) van de Pamaka Marrons
- Kabiten Mayoońgbani (Antoosi-lo) van de Pamaka Marrons
- Kabiten Balangé (Asaiti-lo) van de Pamaka Marrons van het dorp Nason
- Christiaan Forster (Antoosi-lo) van de Pamaka Marrons
- Nicolaas Forster (Antoosi-lo) van de Pamaka Marrons
- Kabiten Tuni Johannes Ceder (Molon-lo) van de Pamaka Marrons
BIBLIOGRAFIE
Gouvernement Secretaris; Nota van de Gouvernement Secretaris, 1940, No. 136 (CAP).
Kielstra, J.C., gouverneur; Resolutie 26 februari 1940, No. 591 (CAP)
Morssink, F.; Boschnegeriana (Silvae-nigritiana). Eenige gegevens omtrent geschiedenis en missioneering onzer Surinaamsche Boschnegers, Vijfde afdelingen, de stam der Paramaccaners. Paramaribo, z.j. (1934-1935) MS.
Pakosie, André R.M.; De Pamaka, een Marrongemeenschap aan de Beneden-Marowijne
Een beknopt overzicht van de geschiedenis van de Pamaka. In: Siboga jrg. 21, nr. 2, 2011.
Raue, K., DC Marowijne; Missive van K. Raue aan de gouverneur, 5-1-1940, No. 33 (CAP)
Scholtens, Ben; Bosnegers en overheid in Suriname. De ontwikkeling van de politieke verhouding 1651-1992. Afdeling Cultuurstudies/ Minov. Paramaribo 1994.
Wong, E.; Hoofdenverkiezing, stamverdeeling en stamverspreiding der Boschnegers van Suriname in de 18e en 19e eeuw. Bijdragen tot de Taal-, Land- en Volkenkunde van Nederlandsch Indië.
Deel 97, afl. 3., 1936
GAANMAN BINOUTU ATUDENDU ANTONI ABALIKI
(Gaanman van de Saamaka Marrons van 1934-1949)
Door: André R.M. Pakosie
Op 14 januari 1932 (Scholtens e.a., 1990:128), Na vierendertig jaar Gaanman van de Saamaka Marrons te zijn geweest, aanvaardde gaanman Muana Dyankusó, op 14 januari 1932, de reis terug naar de voorouders. Twee jaar later, in 1934, werd hij opgevolgd als Gaanman door taata Binoutu Atudendu Antoni Abaliki. Deze Gaanman werd kortweg genoemd ‘Gaanman Binoutu’ of ‘Gaanman Atudendu’.

Gaanman Atudendu behoort, evenals zijn voorganger gaanman Dyankusó, tot de Nenebeë van de Matyau-lo. De Nenebeë wordt gevormd door de nakomelingen van de vijf dochters van ma Nene: ma Bobi, ma Amína, ma Adísi, ma Doti en ma Agau. Elke nakomeling van deze vijf dochters wordt tot de Nenebeë gerekend, en maakt in principe aanspraak op het gaanmanschap.
Gaanman Atudendu is een kleinzoon van ma Amína, één van de vijf dochters van ma Nene. Zijn moeder heet ma Saandaḿma. In maart 1949 kwam aanvaardde gaanman Atudendu ook de reis terug naar de voorouders. Het gaanmanschap ging toen van de tak van ma Amína van de Nenebeë over naar de tak van ma Adísi, één van de vijf dochters van ma Néne. De oudste zoon van ma Bo en taata Abesépu van de Fandaäki-lo van het dorp Semoisi, genaamd Penigaa Agbago Aboikoni werd aangewezen als de nieuwe gaanman van de Saamaka.
Tot slot het volgende. Gaanman Dyankusó komt uit het huis van ma Doti, gaanman Atudendu uit het huis van ma Amína en gaanman Agbago, gaanman Songo, gaanman Belfon en gaanman Albert uit het huis van ma Adísi.
Referentie
Ik heb in mijn verhaal gebruikgemaakt van de orale overleveringen, aan mij in de jaren ’70 van de vorige eeuw verteld door met name:
- Gaanman Agbago Aboikoni
- Kabiten Dangasi Nene
- Taata Tebini Anka
- Basiya ‘Takité’ Natoe Aboikoni
GAANMAN EMMANUEL TOLÍNGA VAN DE ALUKU/BONI MARRONS
DE EERSTE MARRON DIE BURGEMEESTER WERD
Door: André R.M. Pakosie
In 1967 aanvaardde gaanman Difu van de Aluku/Boni Marrongemeenschap de reis naar de voorouders. Da Difu is afkomstig van de Dikan-lo bij de Aluku en hij is zoon van da Lomi en ma Deëdeë. Hij werd twee jaar later, als Gaanman van de Aluku, opgevolgd door de in 1908 geboren da EMMANUEL TOLÍNGA van de Kawina-lo.

In de jaren 60 van de 20ste eeuw trad da Tolínga, die geen westers onderwijs genoot maar wel vloeiend Frans sprak, in de Frans-Guyanese politiek. Hiermee baande hij de weg voor de generaties Frans-Guyanese Marrons die na hem kwamen, zodat deze ook konden participeren in de Franse politiek. Tussen 1968 en 1979 was da Emmanuel Tolínga, naast Gaanman, ook Maire (Burgemeester) van het dorp Papaïsiton. Hij is hiermee de eerste Marron die Maire werd. Tegenwoordig bekleden veel Marrons deze functie in Frans-Guyana, dankzij de weg die gaanman Tolínga voor hen baande.
Het dorp Papaïsiton is in 1895 gesticht door gaanman Osyi van de Dikan-lo, de voorganger van gaanman Difu. Het dorp Papaïsiton ligt in het binnenland van Frans-Guyana in het Frans-Guyanese bestuursgebied Inini en werd in 1930 een onderdeel daarvan. Het bestuursgebied Inini werd vroeger rechtstreeks bestuurd door de prefect van Frans-Guyana.
In 1968 werd de gemeente Maïpasula en de uit drie afzonderlijke dorpen samengestelde gemeente Papaïsiton-Gaánsanti-Apatu opgericht, met burgemeester en wethouders. De eerste burgemeester van Maïpasula werd de in Constantine (Algerije) geboren Fransman, Robert Vignon. En die van de gemeente Papaïsiton-Gaánsanti-Apatu werd gaanman Emmanuel Tolínga.
Da Tolínga, die zoals ik al vertelde, geen westers onderwijs genoot maar wel vloeiend Frans sprak en zich jarenlang met de Frans-Guyanese politiek bezighield, is hiermee de eerste Marron, zowel in Frans-Guyana als in Suriname, die maire (burgemeester/ districtscommissaris) werd.
In 1976 werd de gemeente Papaïsiton-Gaánsanti-Apatu in tweeën gesplitst: gemeente Apatu en gemeente Papaïsiton-Gaánsanti. Apatu werd dus een zelfstandige gemeente, waar Lucien Amayota in 1977 gekozen werd tot maire. Amayota is dus de tweede Marron die burgemeester werd. Guy Malidor werd de maire van de gemeente Maïpasula en gaanman Emmanuel Tolinga opnieuw maire, maar dan van de afgeslankte gemeente Papaïsiton-Gaánsanti. In 1993 werden Papaïsiton en Gaánsanti elk zelfstandige gemeenten.
Ofschoon hij geen westers onderwijs genoot, bracht gaanman-maire Emmanuel Tolínga de Aluku/Boni in een nieuw tijdperk en wist de Aluku/Boni Marrontraditie en de moderniteit met elkaar te verzoenen. Gaanman Tolínga streefde binnen zijn vermogen naar ontwikkeling van de traditionele woongebieden van de Aluku/Boni Marrons in het binnenland van Frans-Guyana. En de Frans-Guyanese Marronpolitici die na hem kwamen, hebben zijn streven opgepakt en voortgezet. De woongebieden van de Aluku/Boni Marrons in het binnenland van Frans-Guyana zijn dan ook tot ontwikkeling gebracht, honderd maal meer dan de woongebieden van de Marrons in Suriname, die alleen als wingewest dienen voor politieke machthebbers (inclusief die van Marron afkomst) en andere rijken in Paramaribo en andere plaatsen in het kustgebied én multinationals/vreemde mogendheden.
Gaanman-Maire Emmanuel Tolínga werd in 1971 door president Georges Pompidou op het Élysée in Parijs ontvangen.
In 1990, na eenentwintig jaar gaanmanschap, aanvaardde gaanman Emmanuel Tolínga de reis naar de voorouders.
Referentie
Het bovenstaand artikel is gebaseerd op de orale overleveringen die (in tal van gesprekken die ik tussen 1970 en 2011 met hen voerde) aan mij is overgedragen door de volgende Aluku/Boni Marrons:
- Gaanman Emmanuel Tolínga
- Gaanman Joachim-Joseph Adochini
- Edekabiten Ofaïni Topó
- Da Anton Glunder
- Kabiten Nénman
- Ma Cicilia Duma
- Da Galimo Saïfa
- Johan Afoichini
DA ‘KUNEÏSI’ CORNELIS ZACHARIAS FORSTER
GAANMAN VAN DE PAMAKA MARRONS VAN 1950-1991
Door: André R.M. Pakosie
Toen gaanman Jozef Abunäwoöko in 1947 de reis naar de voorouders aanvaardde, werd Christiaan Forster (de oudere broer van gaanman Cornelis Forster), gevraagd voor het gaanmanschap. Broer Chris, zoals gaanman Cornelis Forster zijn oudere broer Christiaan liefkozend noemde, weigerde echter het ambt van Gaanman van de Pamaka Marrons op zich te nemen. Christiaan Forster, met wie ik tussen 1972 en 1974 veelvuldig sprak in zijn woning aan de Tourtonnelaan in Paramaribo, vertelde mij dat hij geen Gaanman wilde worden, omdat het gaanmanschap niets voor hem was. Hij was meer een man van de wereld buiten de kleine wereld van de Pamaka Marrons. Mede om die reden vertrok hij voorgoed uit het traditionele woongebied van de Pamaka Marrons. Na zijn weigering werd zijn jongere broer Cornelis gevraagd voor het ambt. Da Cornelis Forster kon dit niet weigeren, zoals zijn oudere broer dat wel heeft gedaan. Als ook Cornelis Forster weigerde, zou er een bestuursvacuüm ontstaan. In 1950 werd da Cornelis Zacharias Forster door zijn volk aangesteld als de zevende Gaanman van de Pamaka Marrons.

Op 7 april 1951 werd hij samen met zijn collega’s Akontu Velanti (Okanisi) en Agbago Aboikoni (Saamaka) in Paramaribo erkend door gouverneur Mr. Jan Klaasesz, namens het koloniaal bestuur, als Gaanman van respectievelijk de Pamaka, de Okanisi en de Saamaka Marrons. Eerder was gaanman Aboné Lafanti van de Matawai Marrons al door het koloniaal bestuur erkend. In 1964 aanvaardde gaanman Akontu Velanti van de Okanisi Marrons de reis naar de voorouders. Hij werd als Gaanman van de Okanisi Marrons opgevolgd door zijn jongere neef Gazon Matodja.
Da Kuneïsi, zoals gaanman Cornelis Forster liefkozend genoemd werd door zijn volk, werd geboren op 12 september 1903 als zoon van een zus van gaanman Abunäwoöko, genaamd ma Afi Sesifina Sofia, én de uit Barbados afkomstige goudzoeker, Elias Theodorus Forster. Naast een zoon uit een eerder huwelijk kreeg Sesifina met Theodorus vier zonen en drie dochters, onder wie Christiaan, Betsy, Cornelis en Nicolaas. Cornelis was de derde zoon van ma Sesifina. Cornelis Forster trouwde met ma Sara Popo Asalobi van de Molon-lo. Samen kregen zij vier zonen en vier dochters: Frans ‘baä Kwikwi’, Jacob, Dirk Polandi, Paulus, Geertruida, Margaretha, Eline en Martha.
Gaanman Cornelis Forster en zijn drie andere collega’s Gaanman van die tijd, werkten vanaf het begin aan het dichter bij elkaar brengen van hun vier Marron-gemeenschappen. Zij startten ook met een wederzijds overleg over zaken die hun gemeenschappen raakten. In 1973 kwamen, voor het eerst in de geschiedenis, alle vier Gaanman bijeen in de residentie (Diitabiki) van een van hen (Gazon Matodja). Daarna vonden nog tal van ontmoetingen plaats in de respectievelijke residenties: Asindoöpo (van Agbago Aboikoni), Diitabiki (van Gazon Matodja), Pusuguünu (van Aboné Lafanti) en Langatabiki (van Cornelis Forster). Bij de ontmoeting in 1979 op Langatabiki gebeurde iets unieks. Alle vier Gaanman bevestigden bij die gelegenheid gezamenlijk Johannes Tuni Ceder van de Molon-lo van het dorp Lokaloka in zijn ambt als Kabiten van de Pamaka. Kabiten Ceder aanvaardde de reis naar de voorouders in 2015 in Nederland.
Gaanman Cornelis Zacharias Forster is de eerste Gaanman van de Pamaka die buiten Suriname reisde. In 1970 reisde hij samen met zijn drie andere collega’s, Gazon Matodja (Okanisi), Agbago Aboikoni (Saamaka) en Abone Lafanti (Matawai), via Curaçao en Nederland naar Ghana, Nigeria, Togo en Benin (Dahomey). In 1977 reisde hij ook samen met de andere collega’s, via Curaçao en Nederland, naar Nigeria in het kader van het Second World Black and African Festival of Arts and Culture (FESTAC). Bij deze reis, die Dobru (Robin Raveles) en ik samen leidden, werden de vier Gaanman en ik bevriend met elkaar. Ik werd uiteindelijk een vertrouweling van elk van hen afzonderlijk. Zij droegen ook heel veel kennis aan mij over, over de cultuur en geschiedenis van hun respectievelijke samenlevingen.
Als gevolg van de Bouterse-Brunswijkoorlog was gaanman Forster (toen 83 jaar oud) eind 1986 genoodzaakt om samen met zijn volk zijn residentie Langatabiki te verlaten en een veilig heenkomen te zoeken in Frans-Guyana. De shock van de oorlog is gaanman Forster nooit te boven gekomen. Op 16 juli 1991 aanvaardde da Kuneïsi, na 41 jaar gaanmanschap van de Pamaka, de reis naar de voorouders.
CONCLUSIE
Gaanman Cornelis Forster en zijn drie collega’s Gaanman van die tijd, gaanman Aboné Lafanti (Matawai), gaanman Agbago Aboikoni (Saamaka), gaanman Cornelis Forster (Pamaka) en gaanman Gazon Matodja (Okanisi), waren zeer zeker geslaagd in hun streven om de verschillende Marrongemeenschappen dichter bij elkaar te brengen. Vanaf de jaren zestig verdroegen Okanisi, Saamaka, Matawai, Kwiïnti, Aluku en Pamaka elkaar beter. Zij verenigden zich in sociale en politieke organisaties en gingen zelfs veel meer dan voorheen huwelijksbanden met elkaar aan. Elke Marron uit welke Marrongemeenschap dan ook die zich in een probleemsituatie bevond, kon zich tot iedere gezagdrager wenden die hij of zij op dat moment kon bereiken, ongeacht tot welke Marrongemeenschap de gezagdrager behoorde. Elke Gaanman van die tijd, groeide uit van Gaanman van een bepaalde Marrongemeenschap tot Gaanman voor alle Marrongemeenschappen. Helaas zien wij anno nu dat de verworvenheid van de toenmalige Gaanman op dit gebied geheel te niet is gedaan. Het Marron traditioneel gezag (inclusief het gaanmanschap) is verworden tot wat men nu ervan gemaakt heeft. Het authentiek begrip ‘Gezag’ is ver, heel ver te zoeken. Helaas betekent het heengaan van deze generatie Gaanman, Aboné Lafanti (Matawai Marrons), Agbago Aboikoni (Saamaka Marrons), Cornelis Forster (Pamaka Marrons) en Gazon Matodja (Okanisi Marrons), feitelijk HET EINDE VAN EEN TIJDPERK. Wat overblijft van het traditionele gezag is de naam ‘Gezagsdrager(s)’, maar dan zonder gezag.
Referentie
Bovenstaand artikel is gebaseerd op orale overleveringen die aan mij tussen 1968 en 2001 zijn overgedragen door:
- Gaanman Cornelis Zacharias Forster van de Antoösi-lo van de Pamaka Marrons;
- Gaanman Jan Levi van de Antoösi-lo van de Pamaka Marrons;
- Edekabiten Atyode Akilingí Kamili van de Antoösi-lo van de Pamaka Marrons;
- Kabiten Balangé van de Asaïti-lo van het dorp Nason van de Pamaka Marrons;
- Kabiten Johannes Tuni Ceder van de Molon-lo van het dorp Lokaloka van de Pamaka Marrons;
- Christiaan Forster van de Antoösi-lo van het dorp Langatabiki van de Pamaka Marrons;
- Nicholaas Forster van de Antoösi-lo van het dorp Langatabiki van de Pamaka Marrons.
Bibliografie
Pakosie, André R.M.; De Pamaka, een Marrongemeenschap aan de Beneden-Marowijne.
Een beknopt overzicht van de geschiedenis van de Pamaka. In: Siboga
jrg. 21, nr. 2, 2011.
GAANMAN PAPA AMAKITI
(Gaanman van de Okanisi Marrons van 1916-1929)
Door: André R.M. Pakosie
Nadat zijn voorganger gaanman Oseïse de reis naar de voorouders aanvaardde, werd da Papa Amakiti in 1916 door zijn volk aangesteld als Gaanman van de Okanisi Marrons. Op 7 augustus 1916 is hij door gouverneur W.D.H. baron van Asbeck namens de koloniale overheid erkend als Gaanman van de Okanisi.

Gedurende het gaanmanschap van da Papa Amakiti was de relatie tussen hem en het koloniaal bestuur continue gespannen. Gaanman Amakiti stelde zich namelijk (in tegenstelling tot zijn voorganger gaanman Oseïse) minder inschikkelijk op naar de koloniale overheid. Ook namen in het begin van zijn gaanmanschap de conflicten rond de bagasi (de vrachtvaart) aan de Marowijne rivier toe. De kritiek van de Marron bagasiman (Marron vrachtvaarders) over onder andere de te lage lonen en de steeds hogere winkelprijzen in Albina en Saint Laurent werd niet gehoord door de koloniale besturen van Suriname en Frans-Guyana. De vrachtvaarders konden nauwelijks het hoofd boven water houden. Uit eigen ervaring in de bagasi (hij is ook bagasiman geweest) begreep gaanman Amakiti de pijn van de bagasiman zeer goed. Hij stond daarom ook voor 100 procent achter hen.
In 1920 startte gaanman Amakiti samen met zijn collega gaanman Awensai van de Aluku met de voorbereiding van de bagasi-staking van 1921. In juli 1920 riep gaanman Amakiti ook kabiten Andiyasi terug uit Albina. Da Andiyasi van de Nyanfai-lo werd door zijn voorganger gaanman Oseïse, op verzoek van de koloniale overheid, in Albina in de wijk Bilokondeë, aangesteld als Kabiten om de overheid te helpen met een ordentelijk verloop van de bagasi.
Eind februari 1921 riepen gaanman Amakiti en zijn collega gaanman Awensai van de Aluku Marrons, de staking uit. Eventuele stakingsbrekers werden gewaarschuwd dat hun boten zouden worden aangehouden en zij zouden dan zelf bestraft worden. De door de twee Gaanman uitgeroepen en gecoördineerde bagasi-staking duurde drie maanden (de langste staking in de stakingsgeschiedenis van Suriname), zonder daarbij een stakingskas te hebben om de stakers te compenseren voor inkomensverlies tijdens de staking.
De spion van het koloniaal bestuur bij de Okanisi, posthouder Willem Frederik van Lier, paste allerlei vieze methodes toe om de staking te laten mislukken. Hij zette alles op alles om de toen gezaghebbende kabiten Dyenta van de Kumpai-lo van het dorp Poowi te bewegen om een vergadering te organiseren van alle kabiten van de Bilo regio van het Tapanahonigebied om in opstand te komen tegen hun eigen Gaanman, gaanman Amakiti. Deze poging van Van Lier mislukte. Da Dyenta schaarde zich, net als bijna alle Okanisi, achter zijn Gaanman. Tenslotte intensiveerde Van Lier zijn reeds gebruikelijke verdeel- en heerspolitiek tussen gaanman Papa Amakiti en diens neef da Yensa Kanapé. Da Kanapé was in die tijd de uitvoerende hoofdbedienaar van de Sweli Gadu, de pilaar waarop de Okanisi Marronsamenleving stoelde. Hij was dus een persoon met invloed.
Al bij zijn erkenning door het koloniaal bestuur als Gaanman werd het gezag van gaanman Amakiti gedesavoueerd. Zo werd zijn toelage als Gaanman vastgesteld op f 500,- per jaar, de helft minder dan zijn voorganger gaanman Oseïse. In diverse brieven lieten verschillende ambtenaren uit die tijd, waaronder de toenmalige districtscommissaris van het district Marowijne, Juta, zich uitermate negatief uit over gaanman Amakiti. DC Juta schreef bijvoorbeeld aan zijn meerdere in Paramaribo:
“Amaktie van Otterloo is een persoon van niets, een hersenlooze tobber, denkelijk ten gevolge van zijn venerisch gestel”.
Posthouder Willem van Lier maakte van zijn kant zijn superieuren wijs dat gaanman Amakiti veel tegenstanders had en niet in staat was het Okanisi volk goed te besturen. Al op 28 maart 1920 (meer dan een jaar vóór het uitroepen van de Bagasi-staking door gaanman Amakiti en zijn collega gaanman Awensai van de Aluku) schreef Van Lier een brief aan zijn superieuren in Paramaribo waarin hij voorstelde om da Kanapé, de neef van gaanman Amakiti, tot bezoldigde medebestuurder te benoemen naast gaanman Amakiti, met de titel ‘grootkapitein’. Da Kanapé zou volgens Van Lier het Okanisi Marronvolk beter kunnen leiden. Een jaar later kon Van Lier door de grote staking die gaanman Amakiti en zijn Aluku collega gaanman Awensai wisten te organiseren echter goed zien dat gaanman Amakiti wel degelijk in staat was zijn volk te besturen.
De door de twee Gaanman zeer goed georganiseerde bagasi-staking in 1921 bracht de economieën van de Nederlandse kolonie Suriname en de Franse kolonie Frans-Guyana behoorlijk schade toe. Echter, door de slechte economische situaties wereldwijd kregen de bagasiman met hun staking nauwelijks loonsverhoging. Wel was er enigszins sprake van een prijsdaling in de winkels.
Maar al leverde de bagasi-staking niet het gewenste resultaat op, de Marron-bagasiman hebben met hun staking in ieder geval duidelijk hun kracht van eenheid laten zien. En gaanman Amakiti liet posthouder Van Lier en het koloniaal bestuur daarmee ook duidelijk zien, dat hij wel degelijk in staat was zijn volk te besturen.
Referenties
Het bovenstaand artikel is gebaseerd op de orale overleveringen die (in tal van gesprekken die ik tussen 1970 en 2011 met hen voerde) aan mij is overgedragen door:
- Gaanman Gazon Matodja
- Gaanman Emmanuel Tolinga
- Gaanman Agbago Aboikoni
- Kabiten Kofi Atyaukidi
- Kabiten Ateligimi
- Kabiten Losén Dyantaamofu
- Kabiten Kwasiba
- Kabiten Womi Asekende
- Kabiten Fíga
- Kabiten Atipa
- Da Asimato
- Da Adan Pankuku
- Taata Tebini Anka
- Da Akookutu
DA BANKWIÏ BALAWAN
Voormalig Edekabiten van de Dikan-lo van de Okanisi Marrons
Door: André R.M. Pakosie
Na het heengaan van kabiten Kwasi Danki, volgde da Bankwiï Balawan hem op als Kabiten van de Dikan-lo van het dorp Benanu.

De Dikan-lo in het Tapanahonigebied beschikken over drie dorpen: Benanu, Nikiï en Wanfinga. Elk van deze drie dorpen heeft een Kabiten met elk zijn Basiya. De Kabiten van Benanu is de Kabiten van de Dikan-lo in de directe lijn van gaanta Fabi Labi Béiman, de eerste persoon die deze functie bekleedde in de 18e eeuw. Onder leiding van gaanta Fabi Labi Béiman vond in 1757 de marronage van de Dikan-lo plaats. Van de drie Kabiten van de Dikan-lo is de Kabiten van Benanu dan ook degene die het hoogste ambt bekleedt (de zogenaamde Lebidyakiti).
De vroegere leden van de Dikan-lo werden in slavernij gehouden op plantage Nes-en-Camp. Deze plantage lag aan de samenvloeiing van de Cottica rivier en de Komontibo (Coermotibokreek) en behoorde aan de familie De Camp, aan wie de vroegere leden van de Dikan-lo de naam van hun Lo ontleenden. In 1770 ging plantage Nes-en-Camp over in handen van ene Van der Gaegh.
Bij de totstandkoming van de Okanisi Gaán-lo, is gaanta Fabi Labi Béiman als de eerste Gaanman van de Okanisi Marrons aangesteld. Zijn plaats als Kabiten van de Dikan-lo werd toen ingenomen door zijn classificatorische neef gaanta Kwamina Adyubi. Tot aan het einde van de 19e eeuw volgden, na gaanta Kwamina Adyubi, nog drie anderen op als Kabiten van de Dikan-lo in de lijn van gaanta Fabi Labi Béiman. Aan het begin van de 20e eeuw was da Pópo de Kabiten van de Dikan-Lo. Achtereenvolgens volgden da Baä, da Kwasi Danki en in de jaren ’60, da Bankwiï Balawan. In de jaren ’70 van de vorige eeuw werd da Bankwiï Balawan door gaanman Gazon Matodja benoemd tot Edekabiten. Als Edekabiten was da Balawan in die jaren de coördinator van de werkzaamheden van de Kabiten van de Bilo regio van de Tapanahoni. Da Balawan was ook een Apintiman (zowel Apinti bespeler als Apinti vertaler). En hij was ook een kundige Okanisi botenmaker. Hij was diplomatisch maar kon als het nodig was heel vel zijn.
Ik kende da Balawan al in de beginjaren ’60 van de vorige eeuw, vanaf mijn kinderjaren, lang vóór hij Kabiten en later Edekabiten werd. Ik ben namelijk voor een deel opgegroeid in Benanu. Vandaar ook mijn goede contact met de oude generatie mensen van de Dikan-lo van die tijd, waaronder Edkabiten Balawan, da Asimato, da Ateligimi, da Abesé, baa Ḿtuumi Molijn, da Totó en vele anderen, van wie ik heel veel informatie overgedragen heb gekregen over de geschiedenis van de Dikan-lo.
Edekabiten Bankwiï Balawan aanvaarde jaren geleden de reis naar de voorouders.
Referenties
Bovenstaand artikel is gebaseerd op orale overleveringen die mij tussen 1968 en 2001 zijn doorgegeven door:
- Gaanman Gazon Matodja
- Edekabiten Bankwiï Balawan
- Kabiten Ateligimi
- Da Totó
- Baa Ḿtuumi Molijn
- Da Asimato
- Da Abesé
DA LANTÉ
De Kabiten van Baänaïni in Albina
Door: André R.M. Pakosie
Da Lanté is een zoon van de legendarische da Yensa Kanapé van de Otoö-lo en ma Yedína van de Misidyan-lo. De vader van da Lanté, da Yensa Kanapé, was tot twee keer toe (van 1915-1916 en van 1929-1937) waarnemend Gaanman van de Okanisi Marrons.

Da Lanté komt voor in de rij van personen die het koloniale bestuur van Suriname in die tijd achtereenvolgens aanstelde als Kabiten in een wijk van Albina. Deze aanstellingen vonden plaats na goed overleg van het koloniaal bestuur met het traditioneel gezag van de Okanisi Marrons. De door het koloniaal bestuur aangestelde Kabiten moest helpen het Marronvolk in Albina te leiden. De standplaats van kabiten Lanté was Baänaïni, een wijk van Albina, achter het militaire kampement. De wijk Baänaïni werd in die tijd bewoond door vooral Okanisi Marrons, met name die afkomstig waren uit het dorp Sangamansusa van de Misidyan-lo aan de Tapanahoni, die de wijk stichtten.
In 1957, na een gerezen conflict met de toenmalig districtscommissaris van Marowijne, vertrok da Lanté, vergezeld door zijn oudste zoon Baëdi, terug naar zijn dorp Diitabiki aan de Tapanahoni. Da Lanté is na dit vertrek uit Albina, nooit meer naar Saanan teruggegaan. Saanan (de kolonie Suriname), het kustgebied, was voor de vroegere Marrons het land van de bakaá (de witten).
In 1954 schonk kabiten Lanté, op verzoek, een huis aan het Surinaams Museum. Dr. Dirk Cornelis Geijskes, een van de oprichters van het Surinaams museum, was in die tijd de directeur. Ik maakte als kind in de periode van 1957-1959 dr. Geijskes van dichtbij mee. Mijn vader was in die jaren een van de arbeiders die hielp met de opgravingswerkzaamheden bij het verzamelen van etnologische, archeologische en biologische gegevens en objecten. En mijn moeder werkte als huishoudster voor het gezin Geijskes. Het is dr. Geijskes die ervoor zorgde dat ik al als driejarig kind het Nederlands alfabet kende.
Het huis van da Lanté is uiteindelijk naar Nederland overgebracht en wordt beheerd door het Tropenmuseum in Amsterdam. Het huis is nu daar te bezichtigen.
In 1961 kwam kabiten Lanté op zeer tragische wijze (een jachtongeluk) om het leven.
De foto van da Lanté hier gebruikt is in 1947 op Langatabiki gemaakt door Willem van de Poll, toen hij da Lanté daar tegenkwam, die onder weg was naar de Tapanahoni.
Referentie
Het bovenstaand artikel is mede gebaseerd op de orale overleveringen die (in tal van gesprekken die ik in het verleden met hen voerde) aan mij is overgedragen door:
- Gaanman Gazon Matodja
- Edekabiten Kodyo Bokolo Kanapé (jongere broer van da Lanté)
- Basiya Asawoöko Bena
- Da Kelema
DE TERM MARRONS VERSUS DE TERM AFRO-SURINAMERS
Door: André R M Pakosie
In deze videodocumentaireserie geef ik mijn mening over de voortdurende oproepen van mensen om de eervolle naam Marrons te veranderen en de twee Afro-Surinaamse gemeenschappen in Suriname (Marrons en Creolen) te verenigen.
Jarenlang hebben sommige niet-Marrons (Creolen) ons de les gelezen dat onze zelfgekozen geuzennaam, Marrons, niet goed is. Ze eisen dat we onze naam veranderen omdat het woord Marrons volgens hen ‘losgebroken vee’ betekent. Ze willen dat alle mensen in Suriname met Afrikaanse wortels zich Afro-Surinamers noemen. Deze Creoolse mensen gaan ervan uit dat als de Creoolse en Marron gemeenschappen een gemeenschappelijke naam hebben, de twee gemeenschappen dan één zijn. Zij beweren dat omdat de voorouders allemaal uit Afrika kwamen (anderen zeggen zelfs dat de voorouders op dezelfde schepen kwamen), wij, hun nakomelingen, één zijn, één moeten zijn.
Mensen die op deze manier redeneren gaan er dus van uit dat eenheid tot stand komt door het hebben van een gemeenschappelijke naam. Ik deel deze opvatting niet. Alle zwarten zijn geen eenheid. Dat sommige groepen mensen dezelfde huidskleur hebben, betekent nog niet dat ze één zijn. Mensen die dat wel denken, negeren een aantal feiten.
Bijvoorbeeld, de witte slavendrijvers hebben onze voorouders niet alleen op één plaats in Afrika gevangen genomen en tot slaaf gemaakt in Suriname. Ze namen hen gevangen uit verschillende etnische en sub-etnische gemeenschappen uit heel Afrika. Bovendien vormden de voorouders die ze gevangen namen niet logisch een eenheid.
In Suriname scheidde de geschiedenis hen ook nog verder van elkaar. Ze groeiden uit elkaar. Sommigen zochten hun vrijheid in het oerwoud. Daar creëerden ze zes politiek onafhankelijke en levensvatbare gemeenschappen: Okanisi, Saamaka, Matawai, Aluku, Pamaka en Kwiïnti. En door middel van intense guerrillaoorlogen dwongen ze de witte slavendrijvers en hun koloniale overheid om vredesverdragen met hen te ondertekenen, en daarmee hun vrijheid en menselijke waardigheid te erkennen.
De Marrons bouwden hun samenlevingen op met geordende structuren volgens hun eigen ideeën, met eigen regering bestaande uit Gaanman, Kabiten en Basiya. De voorouders van de Marrons creëerden een aparte positie voor hun samenlevingen die vandaag de dag nog steeds bestaat.
Qua etniciteit zijn deze Afro-Surinaamse mensen, de Marrons en de Creolen, niet één maar twee aparte groepen. Etniciteit is niet gebaseerd op huidskleur of uiterlijk. Etniciteit is gebaseerd op de sociaal-culturele identiteit van een groep. Deze groepsidentiteit is afgeleid van een aantal factoren zoals een gemeenschappelijke taal, gedeelde groepsnormen en -waarden, overeenkomsten in verwantschap, religie en taal, een gedeelde geschiedenis, enz.
De factoren waaraan Marrongemeenschappen hun groepsidentiteit ontlenen, zijn niet dezelfde voor Creolen.
Wat we moeten doen is ons inzetten voor een betere samenwerking tussen deze twee Afro-Surinaamse etnische groepen, de Marrons en de Creolen. In plaats van tijd te verspillen aan iets dat aan een natuurlijk proces moet worden overgelaten.